*

 
dossier

Archief

Overleven in een leeggeroofd land

Minka Nijhuis − 14/01/00, 00:00

Groepjes Timorese jongeren staren naar de nieuwe attractie die voor de kust van Dili ligt. De hotelboot in de pikdonkere gehavende hoofdstad, waar VN-ers en buitenlandse hulpverleners logeren, heeft veel weg van een futuristisch ruimteschip. Nadat Indonesië in 1975 Oost-Timor binnenviel en annexeerde kwamen mondjesmaat bezoekers naar het eiland.

Ondanks deze grootschalige aanwezigheid van VN-ers, buitenlandse militairen en hulpverleners is van wederopbouw weinig te zien. Dili is nog altijd een bouwval sinds Timorese milities en Indonesische militairen ruim vier maanden geleden het land leegplunderden en in brand staken. De verkoolde resten van huizen en gebouwen zijn grotendeels opgeruimd. De stad ziet er iets minder naargeestig uit dan voorheen, maar het grootste deel van de bevolking hokt nog altijd in uitgebrande huizen, met hier en daar een zeiltje tegen de regen. Ze teren op een kleine rijstvoorraad en een minimum aan huisraad en kleding. ,,Ik ben in mijn familie, van zo'n zeven mensen, nu nog de enige met een baan. Van het salaris van 30000 rupiah per dag (ongeveer 10 gulden) kunnen we nauwelijk leven. Rijst hebben we van hulpverleningsorganisaties gekregen maar levensmiddelen op de markt zijn heel erg duur'', zegt Maria die als receptioniste in één van de weinige hotels werkt.

,,Organisaties hebben als richtlijn om tussen de dertig en zestigduizend roepia per dag te betalen om te voorkomen dat personeel bij elkaar wordt weggekocht'', vertelt een buitenlandse aannemer die kantoren voor de VN opknapt. De lokale staf van de Wereld Voedsel Organisatie heeft al stakingsacties op touw gezet om hogere lonen te eisen.

Voor de meeste Timorezen zijn de mogelijkheden om het lot in eigen hand te nemen in het vernieuwde land voorlopig heel beperkt. Het overheidsapparaat bestaat niet meer. De winkels zijn vernield. De meeste transportmiddelen zijn door leger en milities mee naar West-Timor genomen en de handel vanuit buurland Indonesië verloopt moeizaam.

Op het platteland wordt weer groente verbouwd, maar de oogst van mais, - met rijst het belangrijkste voedselprodukt -, zal minder zijn dan gewoonlijk, omdat de distributie van zaden in sommige delen van het land te laat op gang kwam. Ook werd veel vee gestolen of gedood in de tijd van plunderingen en vernielingen.

De oogst van koffie, een belangrijke bron van inkomsten, begint pas in mei. Slechts een enkeling opent een winkel met een bescheiden assortiment of een restaurantje waar rijst met wat vlees, kip en groente wordt geserveerd. Overal zwerven groepjes Timorezen op zoek naar werk, simpelweg om de tijd te doden. Onder hen bevinden zich veel jongeren. De lagere scholen zijn weer geopend, maar de middelbare scholen hebben onvoldoende leraren om de lessen te hervatten.

Ook de duizenden jonge Timorezen die voorheen in Indonesië studeerden weten nog niet hoe het verder moet met hun opleiding. De onderhandelingen met Indonesië over een hervatting van hun studie zijn nog gaande. ,,Ik wil weg uit dit land'', roept Gina een jonge Timorese vrouw die vorig jaar nog dacht medicijnen te gaan studeren in Denpasar.

Het Indonesische leger en de door hen opgerichte en gesteunde Timorese milities verhevigden begin september hun terreur toen bekend werd dat het referendum een ruime overwinning voor de onafhankelijkheidsbeweging opleverde. Massaal vluchtten Timorezen naar de heuvels. Honderden en mogelijk meer vonden de dood en zo'n tweehonderdduizend burgers werden naar West-Timor deporteerd. Toch reageerde het merendeel van de bevolking met blijdschap op de overwinning voor de onafhankelijkheidsbeweging.

Inmiddels begint die vreugde te verwateren in de harde realiteit van het alledaagse leven. Volgens priester Jovito de Jesus Araujo komt dat niet alleen doordat de meeste Timorezen hun bezit, banen en soms familieleden kwijt zijn, maar ook doordat het hen onbreekt aan informatie. Ze weten niet welke richting het opgaat in de toekomst, hoe het loopt met de medezeggenschap.

,,Mensen voelen zich verloren'', zegt hij. De priester verwijt de Timorese leiders en de Verenigde Naties dat zij in deze overgangsperiode te weinig direct contact houden met de bevolking. ,,Zoals een arts kennis van anatomie moet hebben om een zieke patiënt te genezen zo moeten de leiders naar de bevolking luisteren om een samenleving op te bouwen'', zegt hij. Aan een mechanisme voor die communicatie ontbreekt het volgens hem.

Hij logeerde in het drijvende hotel voor de kust van Dili, maar voelde zich daar zo ver verwijderd van de werkelijkheid van het alledaagse leven van de bevolking dat hij na twee dagen vertrok. Hij haalde een kwast over de verbrande muren van een huis en betrok er een kamer. ,,Zo zit ik tenminste onder de mensen'', zegt hij.

De VN-missie Untaet werkt samen met een adviesraad van Timorese leiders om het land voor te bereiden op de definitieve onafhankelijkheid. In privé-gesprekken geven VN-medewerkers toe dat die klus ingewikkelder en complexer is dan ze hadden ingeschat. Alleen al de kwalificatie van de ongeveer 12000 Timorese ambtenaren die nodig zijn voor een bestuur is een tijdrovende en ingewikkelde zaak.

Veel voormalige overheidsemployees zijn hun papieren en diploma's kwijt en moeten opnieuw worden geselecteerd. Bovendien bevinden zich onder de naar schatting 100000 Timorezen die nog altijd niet uit West-Timor zijn teruggekeerd veel overheidsambtenaren. Er is niet alleen een gebrek aan mankracht. Ook vrijwel alle infrastructuur is vernield of meegenomen. Er bleef nagenoeg geen telefoon of computer achter in het land en ook de meeste overheidsgebouwen werden in brand gestoken.

De communicatie verloopt vooral via mobiele telefoons van een Australische maatschappij. De enige onderkomens die volop functioneren zijn hotels en restaurants die vliegensvlug zijn opgezet door buitenlanders. De loopbrug van de drijvende hotelboot vormt de overgang van de wereld van roepia's naar de wereld van de dollars. De stalletjes buiten verkopen pakketjes rijst en gebakken banaan. De bar binnen serveert cocktails en hamburgers tegen prijzen van een Timorees dagsalaris of meer. Buitenlanders kunnen overleven in ons land, constateren veel Timorezen wat bitter.

mailIcon print |