Het is een verrassing dat het regeerakkoord van het tweede kabinet-Kok opent met enkele stellige uitspraken over de waarden die de regering wil bevorderen. Dat was in het vorige regeerakkoord niet in die mate het geval.
Ik vermoed dat wij deze aandacht vooral danken aan de waarschuwingen van Koningin Beatrix op 5 mei 1995 tegen een wegvallend gemeenschapsgevoel. Het regeerakkoord motiveert zijn morele coming out immers met het argument dat “wij zo betrokkenheid kunnen stimuleren en een dam opwerpen tegen maatschappelijke fragmentatie”. En het voorwoord sluit af met de zinnen: “Het bieden van veiligheid, het stellen en handhaven van normen zijn bij uitstek taken van een betrouwbare en betrokken overheid.”
Het regeerakkoord begint met te stellen dat Nederland de volgende eeuw met vertrouwen kan binnengaan, onder meer omdat wij “een cultuur hebben van vrijheid, verantwoordelijkheidszin, tolerantie en solidariteit”. Even verder stelt het kabinet dat de samenhang in de samenleving, die de regering wil behouden en versterken, “te maken heeft met waarden als vrijheid, tolerantie, gelijkheid en solidariteit, die nog altijd breed worden gedragen”. De eerste twee zijn afkomstig uit het liberale, de laatste twee uit het sociaal-democratische beginselprogram. Een sociaal-liberale combinatie van waarden dus. Opvallend is dat 'verantwoordelijkheidszin' in het eerste rijtje wel voorkomt, maar in het tweede rijtje is vervangen door 'gelijkheid'. Wij moeten dit verschil waarschijnlijk niet letterlijk als een beleidskeuze opvatten.
Wel betekenisvol vind ik het dat in de opsomming van het regeerakkoord 'rechtvaardigheid' en 'duurzaamheid' ontbreken. Vanzelfsprekend worden de christen-democratische waarden 'gerechtigheid', 'gespreide verantwoordelijkheid' en 'rentmeesterschap' niet genoemd, het CDA regeert immers niet mee. Maar rechtvaardigheid en duurzaamheid komen wel in de beginselprograms en het ideologische vocabulaire van de regeringspartijen voor en zijn ook broodnodig om een goed overheidsbeleid te voeren. Rechtvaardigheid en duurzaamheid worden elders in de tekst wel genoemd. Het kabinet noemt als de twee voornaamste opgaven voor de komende regeerperiode “het vinden van een verantwoord evenwicht tussen economische kracht en behoud van de kwaliteit van ons leefmilieu, tussen economische dynamiek en sociale rechtvaardigheid”.
Dit is merkwaardig. Rechtvaardigheid of gerechtigheid is normaliter de waarde die de afweging van twee botsende belangen moet leiden. Rechtvaardigheid is billijke afweging, zodat aan beide belangen recht wordt gedaan. Maar in het regeerakkoord wordt rechtvaardigheid zelf opgevat als één van de zaken, die moet worden afgewogen tegen een andere zaak, namelijk economische dynamiek. Met andere woorden: als het voor de economische groei noodzakelijk is, moeten we met wat minder rechtvaardigheid genoegen nemen. Maar dat kan niet.
Het is precies de waarde rechtvaardigheid die het juiste evenwicht moet bepalen tussen economische dynamiek en armoedebestrijding, tussen economische groei en het belang van een gezond milieu. Rechtvaardigheid of gerechtigheid is zelf de hoogste waarde van het regeren. Je kunt die waarde wel opnieuw interpreteren, maar niet afwegen.
Ook duurzaamheid wordt afgewogen tegen een ander belang. “Zo kunnen wij economisch elan combineren met sociale verantwoordelijkheid en duurzaamheid”, zegt het akkoord. Maar ook hier kun je je afvragen of dat wel juist is. Moet er in een duurzame samenleving niet een ecologische bodem in het bestaan worden onderkend, die niet mag worden afgewogen tegen andere belangen op straffe van aantasting van de volksgezondheid en de intrinsieke waarde van de schepping?
Geheel afwezig in de opsomming van de waarden die aan het kabinetsbeleid ten grondslag liggen, is een waarde die respect voor zelfregulering door vrije en verantwoordelijke maatschappelijke organisaties van burgers tot uitdrukking brengt. Dat dit geen toeval is, blijkt daaruit dat de sociale partners consequent buiten spel worden gezet, dat de bijzondere school zijn identiteit niet meer mag handhaven ten opzichte van ouders die deze niet delen en dat de zelfstandigheid van de omroepverenigingen verder wordt uitgehold. Alleen voor het Groene Poldermodel is, onder externe druk, de deur nog op een kiertje gehouden. Dit kabinet bezit zelf echter geen morele basis voor een constructieve omgang met het maatschappelijk middenveld.
Tenslotte valt het op dat over de kwaliteit van het bestuur als toetsstenen voor het beleid worden genoemd de waarden: democratie, effectiviteit, efficiency en slagvaardigheid. Het valt op dat de waarden rechtmatigheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid eerst vijf pagina's later in de tekst aan de orde komen. En ook dat lijkt mij niet toevallig. Het kabinet wil immers de juridisering van het bestuur terugdringen. Ook hier wil de regering streven naar “een verstandig evenwicht tussen de intrinsieke waarden van het overheidshandelen enerzijds en de voordelen van de markt en concurrentie anderzijds”. Maar wat zijn intrinsieke waarden waard als zij kunnen worden afgewogen tegen iets anders? Het antwoord blijkt als de regering aankondigt een typisch constitutionele kwestie als de benoeming van burgemeesters uit de Grondwet te zullen halen teneinde daar bij gewone meerderheid over te kunnen beslissen. Mij dunkt dat dit een staaltje machtspolitiek is, waartegen in een rechtsstaat de Grondwet nu juist in het leven is geroepen.
In het regeerakkoord komt de waarde 'integriteit' dan ook niet voor. Integriteit betekent 'heelheid'. Integere politici en bestuurders zijn betrouwbaar omdat zij doen wat zij volgens de wet en de publieke moraal moeten doen, omdat er 'heelheid' is tussen hun spreken en handelen. Die waarde wordt in het regeerakkoord niet in verband gebracht met het handelen van het openbaar bestuur. Is de bestuurlijke integriteit inmiddels afdoende gegarandeerd? Ook voor politici zelf is integriteit een moeilijk na te leven waarde. Op de eerste plaats omdat macht altijd verleidelijk is. Op de tweede plaats omdat zij in een land waarin geen enkele partij de meerderheid heeft, compromissen moeten sluiten. Dat is aanvaardbaar, zolang zij datgene wat zij wel beloven en wel kunnen, ook wel doen.
Deze formatie roept op dit punt de nodige vragen op, die in het Kamerdebat over de regeringsverklaring aan de orde moeten komen.
Zo roept het vragen op naar de integriteit van personen als de minister van Sociale Zaken die in zijn kwaliteit als voorzitter van de Ser aanbeveelt sociale partners met de uitvoering van de sociale zekerheid te belasten, maar drie maanden later een regeerakkoord onderschrijft waarin dat wordt afgewezen. Als een politicus zo makkelijk van standpunt kan wisselen, heeft hij dan nog wel meningen die er echt toe doen?
Iets soortgelijks geldt voor de vorige minister van ontwikkelingssamenwerking, die niet op zijn post wil terugkeren vanwege een regeerakkoord waar hij vervolgens als minister van Vrom verantwoordelijkheid voor neemt. Integriteit of anything goes?
Principes bewijzen zich als de naleving ervan niet direct in het eigen belang van de betrokkene is. Daarom mag men zich niet op de kandidatenlijst voor de Tweede Kamer laten plaatsen en vervolgens zijn zetel opgeven als men elders een leukere functie kan krijgen.
Voor een oppositie die de publieke moraal belangrijk vindt, ligt in een correcte toepassing van de waarden gerechtigheid, duurzaamheid, gespreide verantwoordelijkheid en integriteit de morele munitie voor het oprapen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.