*

 
dossier

Archief

Het dagelijks leven langs de Grote Postweg

MARK DUURSMA − 30/01/96, 00:00

'Jalan Raya Pos' is te zien tijdens het Filmfestival Rotterdam, vrijdag 2 februari 16.15 uur en zaterdag 3 februari 16.00 uur.

'Jalan Raya Pos', een twee en een half uur durende documentaire, gaat vrijdag in première op het Filmfestival Rotterdam en zal later dit jaar in de filmtheaters te zien zijn. Uitgangspunt voor de film is de Grote Postweg, een weg die begin negentiende eeuw op gezag van Daendels werd aangelegd en vandaag nog steeds, vrijwel volledig langs de oorspronkelijke route, een van de belangrijkste verbindingswegen van Java is. De Grote Postweg loopt van Anyar, aan de westkust van Java, via Jakarta, Bandung, Cirebon, Semarang, Soerabaya en Probolingo tot aan Banyuwangi, het vertrekpunt voor de boot naar Bali.

Terwijl de filmploeg van west naar oost reist, schrijft Pramoedya Ananta Toer, Indonesië's bekendste auteur, in zijn huis in Jakarta een essay over de aanleg en achtergronden van de Postweg. Niet alleen schetst de film daardoor een beeld van het huidige Indonesië, tegelijk ontstaat een portret van een schrijver die in permanente onmin leeft met de autoriteiten van zijn land. Toer, door IJdis steevast aangeduid als 'Pram', heeft langdurige gevangenschap achter de rug en wordt nog steeds nauwlettend gevolgd in zijn doen en laten. Zijn werk, in vele talen verschenen, is in Indonesië verboden en officieel mag hij niet reizen.

Niet bekend

De schakel tussen heden en verleden is volgens IJdis tevens de verklaring voor het verbod van de boeken van Toer. “Als wij zijn boeken lezen, zoals het vierluik over de opkomst van het Indonesische nationalisme, hebben we helemaal niet het idee dat dat gevaarlijk kan zijn. Maar die keuze voor de kleine man vindt het regime ongelooflijk verdacht, dat kan mensen op verkeerde ideeën brengen. Ze zijn bang dat mensen zich realiseren dat de situatie in wezen niet is veranderd, dat de onderdrukking wordt voortgezet. Dat verklaart waarom veel dingen die in onze ogen compleet onschuldig zijn, door het regime als zeer bedreigend worden ervaren.”

IJdis ontmoette Toer voor het eerst in 1992. Hoewel hij al jarenlang wordt geplaagd door een 'writer's block' beloofde de enthousiaste Toer om een essay te schrijven over de Postweg, die af en toe in zijn werk opduikt. Zelfs was de schrijver bereid om clandestien met de filmploeg mee te reizen door Java. IJdis vermoedt dat dat best mogelijk was geweest, maar koos ervoor om Toer thuis te filmen.

“Ik vond het eigenlijk wel mooi, want het komt meer overeen met de werkelijke situatie. Bovendien werkt het in dramatisch opzicht beter: hij thuis, wij op pad.” Het essay werd een dik pak papier met veel feitelijke historische informatie, waarvan de uitgave onzeker is. “Pram leest nooit terug wat hij schrijft, wat een goede redacteur onmisbaar maakt.”

In de film lijkt het essay slechts een bescheiden rol te spelen. Voorop staat het dagelijks leven langs de route en de schijnbaar spontane ontmoetingen met mensen onderweg, die elk een eigen verhaal vertellen en samen een impressionistisch beeld van het land geven. Met een voorbeeld van een arbeider uit een suikerfabriek maakt IJdis duidelijk dat de relatie met Toer er wel degelijk is. Toer schrijft over de slachtoffers van het Nederlandse cultuurstelsel, de suikerfabriek werkt nog steeds op negentiende-eeuwse wijze. “Ik denk dat mijn keuzes heel erg in de geest van Pram zijn. Het gaat over de mensen waar hij het ook over heeft.” De ontmoetingen zijn dan ook minder spontaan dan het lijkt, ze zijn deels van tevoren bedacht en hebben allemaal hun eigen plaats in de film.

Hoewel sommige mensen bereid blijken tot een opmerkelijke openheid - zoals de jongen in Jakarta die spreekt over het nepotisme van de Soeharto-clan -, is de politiek in 'Jalan Raya Pos' op impliciete wijze aanwezig. Geleidelijk wordt de toon grimmiger en worden de contouren van een repressieve samenleving duidelijk zichtbaar. “Dat is een bewuste keuze, om het op die manier op te bouwen. Dingen die je eerder in de film hebt gezien vallen daardoor met terugwerkende kracht op hun plaats. Ik heb me ingehouden, als je er oog voor hebt is de grimmigheid in werkelijkheid veel sterker.”

IJdis verbaast zich over de relatieve onbekendheid van de ware aard van de Indonesische regering. “Als we aan mensenrechten in Indonesië denken, gaat het altijd over Oost-Timor en misschien nog over Irian Jaya. Het gaat nooit over Java en de gewone, alledaagse onderdrukking in het hele land. Dat er een behoorlijk ernstig regime aan de macht is en dat er een grote mate van onvrijheid is, daar lees je maar zelden over. Af en toe staat er een berichtje in de krant dat er weer een tijdschrift is verboden. Het overheersende beeld van Indonesië is dat het een mooi vakantieland is.”

Bij de Nederlandse ambassade in Jakarta waren ze niet blij met IJdis' plannen. Officieel kon men op geen enkele manier medewerking verlenen aan de film, om de goede relaties niet te schaden. Tijdens de opnamen moest de filmploeg regelmatig een beroep doen op list en bedrog om de meereizende dame van het ministerie van voorlichting om de tuin te leiden. “Alles waarvan we vermoedden dat het gevoelig zou liggen, hebben we gedraaid op momenten dat we vreselijk ons best deden om deze censor kwijt te raken. Zij wist uitsluitend van de Postweg, en helemaal niet dat Pram ook in de film voorkomt. Eén keer dreigde ze ons het land uit te zetten, toen iemand over iets heel onschuldigs ruzie met haar maakte. Gelukkig hebben we het kunnen sussen.”

Aanvankelijk vindt IJdis dat zijn film ook door een niet-Nederlander gemaakt had kunnen worden, later erkent hij dat hij zijn nationaliteit niet helemaal kan uitvlakken. “We hebben natuurlijk iets gemeenschappelijks. Dat die weg daar ligt is zowel iets van Nederland als van Indonesië. Wel heb ik geprobeerd om expliciete verwijzingen naar Nederland zoveel mogelijk te negeren. Ik wilde geen overdreven aandacht voor het koloniale verleden, dus ook geen archiefmateriaal. Het kostte wel zelfbeheersing, voor iemand uit een ander land zou dat veel minder beladen zijn.”

Hoewel de Indonesische regering daar waarschijnlijk anders over denkt, beschouwt IJdis zijn film niet als een aanklacht. “Ik wil laten zien hoe het is, hoe dat land in elkaar zit.” Dat hij een visum voor een volgend bezoek aan Indonesië wel kan vergeten, vindt IJdis jammer, maar het was nooit een overweging om de film niet te maken. Hij wil zich niet laten beperken en voelt zich verplicht aan Toer en andere kunstenaars. Bovendien: “Dit regime is niet eeuwig, misschien krijgen de mensen waar de film over gaat hem ook nog eens te zien.”

mailIcon print |