Hij is niet vies van krachtige uitspraken. Niet dat hij het debat opzoekt, maar Ronald Plasterk kan nu eenmaal niet anders dan zich in duidelijke taal uiten. Vooral als het om de maatschappelijke en ethische implicaties van zijn vak gaat is de hoogleraar moleculaire genetica een markante persoon met een nog markantere mening.
Die mening laat zich kort samenvatten: “Dat iedereen zich in het publieke debat mengt, vind ik prima. Waar ik een hekel aan heb, zijn de mensen die er een beroep van maken om een mening te hebben. Met als gevolg dat het publiek aan zo'n ethicus gaat vragen of iets mag of niet. Je moet aan onderzoekers vragen of iets kán. Of het mág, is een vraag die iedereen vervolgens zelf moet beantwoorden.” Aanstaande maandag spreekt Plasterk bij gelegenheid van zijn benoeming tot hoogleraar aan de universiteit van Amsterdam.
De biologie is bijna af, voorspelde Francis Crick zo'n veertig jaar geleden. De Brit had samen met de Amerikaan James Watson de structuur van het erfelijkheidsmolecuul DNA opgehelderd, 'het geheim van het leven ontraadseld', zoals hij het zelf graag uitdrukte. Nu de blauwdruk van het leven op papier stond, waren de grote vragen volgens Crick beantwoord. De biologie hoefde nog maar twee kwesties op te lossen: hoe komt een organisme tot ontwikkeling, en hoe kunnen wij denken?
De antwoorden op deze vragen zouden het snelst te vinden zijn bij de allereenvoudigste vorm van meercellig leven. Het fruitvliegje? Nee, veel te ingewikkeld. Onderzoek Caenorhabditis elegans, zei Crick, een wormpje verwant aan het aardappelaaltje, nauwelijks een millimeter groot, maar met alles erop en eraan: het beweegt, het reageert op zijn omgeving, het plant zich seksueel voort en heeft een maag-darmkanaal. Net genoeg om de basisvragen te kunnen beantwoorden.
Daar wordt dit jaar een begin mee gemaakt. 1998 zal de geschiedenis ingaan als het jaar waarin het genoom van C. elegans bekend werd. Tot nu toe is de genetische staalkaart alleen van enkele eencelligen - bacteriën en gistmicroben - blootgelegd. Het wormpje valt de eer te beurt het eerste dier te worden met een bekend genoom. “1998 wordt het jaar van de worm”, zegt prof.dr. Ronald Plasterk, als moleculair bioloog verbonden aan het Nederlands Kanker Instituut.
Als straks de champagnekurken knallen, zal ook het Amsterdamse laboratorium van Plasterk in de festiviteiten mogen meedelen. Daar immers ligt een belangrijke basis voor het succes: de mutantenbank. In 1993 ontwikkelde de groep een methode om allerlei mutanten van het wormpje te kweken, varianten van het originele dier waarbij bijvoorbeeld één gen, een erfelijkheidsdrager, is uitgeschakeld.
Bovendien kunnen de Amsterdammers de mutanten invriezen, bewaren en, indien gewenst, weer 'tot leven wekken'. Inmiddels bevat de vrieskist van Plasterk zo'n 100 000 aaltjesstammen, compleet met overzichten van het - veranderde - DNA. Wie wil weten wat het gemis van een bepaald gen voor C. elegans betekent, vindt in de vrieskist van Plasterk iets van zijn gading. De mutantenbank heeft de zoektocht naar het genoom van de worm en de functies van de genen enorm gestroomlijnd.
Het genoom van C. elegans zal voor de biologie vast een mijlpaal betekenen, maar voor de leek is de link tussen het minuscule wormpje en de vragen van Crick toch moeilijk te leggen.
Die link blijkt zeer kort. “C. elegans heeft allerlei genen die we ook bij de mens terugvinden”, zegt Plasterk. Tweederde van de oncogenen bijvoorbeeld, die een belangrijke rol spelen bij het ontstaan van kanker, vervullen ook hun rol bij het wormpje. “Niet dat het dier ooit kanker krijgt, maar zo'n gen geeft bijvoorbeeld het sein dat een cel zich moet delen.”
Dat de natuur voor twee totaal verschillende organismen hetzelfde mechanisme gebruikt, vindt de hoogleraar niet verrassend. “Dat is nou evolutie”, zegt hij kernachtig. En als dat antwoord niet voldoende blijkt: “Iemand heeft de evolutie ooit een knutselaar genoemd. Een bouwer, die succesvolle onderdelen niet weggooit, maar zoveel mogelijk gebruikt voor nieuwe toepassingen. Ik moet toegeven: de mate van conservering heeft ook de wetenschap verrast. Toen tien jaar geleden bij de fruitvlieg een oncogen werd ontdekt, heette dat nog de ontdekking van het jaar. Nu zou zo'n titel pas gegeven worden als een gen nergens anders gebruikt blijkt te zijn.”
Het besef dat de genen niet zo uniek zijn, begint nu ook buiten de wetenschap door te dringen. De farmaceutische industrie bijvoorbeeld toont ineens erg veel belangstelling voor C. elegans. Plasterk: “Het dier is een handig systeem om de werking van genen te onderzoeken en potentiële geneesmiddelen erop te testen. Het bestaat uit precies 959 cellen waarvan er 302 het gehele zenuwsysteem vormen. Die 959 cellen hebben we allemaal volledig in kaart gebracht.”
Maar de worm is voor de wetenschap zelf ook een handig systeem. Als binnenkort het volledige genoom op papier staat, wordt de volgende klus om dat genoom te leren lezen en begrijpen. Dat wil zeggen, de functie van de 17 000 genen van C. elegans te achterhalen. Een aspect dat in het verleden nogal eens werd onderschat. Als we de structuur van het DNA maar kennen, dan zijn we er, dan begrijpen we het leven, dacht menigeen.
“Ik vergelijk dat wel eens met een Marsmannetje dat op aarde een harde schijf of een cd'tje vindt”, zegt Plasterk. “Zonder computer heeft het mannetje daar niets aan; dan zijn het slechts enen en nullen. Het zal er eerst achter moeten komen dat er muziek op staat of een computerprogramma. Op dezelfde manier zul je eerst de functie van de genen moeten kennen, vóór je de code van het DNA kunt begrijpen. Voor een wormpje van nog geen duizend cellen is dat hopelijk nog te doen.”
En dat zou een grote sprong voorwaarts betekenen voor dat andere grote biologische project: het humaan genoom onderzoek, waarbij het de bedoeling is het menselijk DNA met zijn 100 000 genen in kaart te brengen. Wie de worm volledig kent, begrijpt al een flink stuk van de mens, aldus Plasterk.
“Een jaar of vijf geleden waren wetenschappers nogal sceptisch over dat humaan genoom project. Had het wel zin om die miljarden bouwstenen van het DNA op te sporen? Was dat niet veel te duur? Maar men onderschatte de schaalvoordelen. Het voordeel om met honderden mensen en een industrieel machinepark structureel dat hele DNA aan te pakken, in plaats van telkens weer, in een klein onderzoeksgroepje, een klein stukje DNA op te sporen.”
Inmiddels is de scepsis omgeslagen in overenthousiasme. De houding is nu: we hebben het DNA van de de mens bijna in kaart gebracht. Op het bureau van Plasterk liggen tal van uitnodigingen voor conferenties over het post-humaan-genoom-tijdperk: wat gaan we met al die DNA-informatie doen? Plasterk heeft steeds vaker de neiging op de rem te trappen. “Iedereen doet nu net alsof we er al zijn, maar we hebben pas 3 procent van het menselijk DNA ontcijferd. We moeten nog 97 procent. De verwachting is dat het karwei in 2005 geklaard is. En dan kennen we alleen nog maar de code.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.