*

 
dossier

Archief

'Als we nu Frits Philips niet onderscheiden, gebeurt dat nooit meer'

Door: redactie − 11/01/96, 00:00

Van een onzer verslaggeefsters EINDHOVEN - “Als we het nu niet doen, gebeurt het nooit meer.” Mevrouw Betty Frank-Koppel overleefde dankzij Frits Philips, oud-directeur van de gelijknamige multinational, de Tweede Wereldoorlog. Zij droeg hem voor voor een hoge Israëlische onderscheiding. Vandaag krijgt de 90-jarige Philips in Den Haag de Yad Vashem onderscheiding voor het redden van joodse Philips-arbeiders.

“Frits Philips is de verpersoonlijking van het bedrijf Philips, en dat bedrijf heeft ons gered”, zegt mevrouw Frank-Koppel. Zij kwam tijdens de bezetting in het doorgangskamp Vught en belandde daar op de werkplaats van Philips. “Het toezicht op het werk was in handen van het bedrijf. Wij werkten twaalf uur per dag en in die tijd hadden de Duitsers niets over ons te zeggen.”

Frank-Koppel, die nu in Israël woont, droeg Frits Philips voor de onderscheiding voor. Namens alle geredde Philipswerkers, zegt ze erbij. De Yad Vashem-onderscheiding wordt verleend door het gelijknamige Israëlische herdenkingscentrum en wordt uitgereikt aan mensen die zich in de oorlog hebben ingezet voor joden. Overlevenden of hun familieleden kunnen het initiatief nemen tot de onderscheiding. Vooral de laatste jaren gebeurt dit veel, hoewel het ereteken al sinds 1953 bestaat. De inititatiefnemers moeten het hele verhaal op papier zetten en dat is een grote drempel, zegt een medewerkster van de Israëlische ambassade.

Philips probeerde vanaf het begin van de bezetting zijn joodse werknemers te beschermen tegen de Duitsers, zeggen de overlevenden. Om de joodse arbeiders voor transport naar Duitsland te behoeden, zette Philips in 1941 een aparte afdeling voor hen op. De medewerkers van dit 'Speciale opdrachten bureau' (Sobu) werden als onmisbaar bestempeld. Dat leverde uitstel op, maar in 1943 kwamen zij toch in Vught terecht.

In dit kamp was sinds februari een werkplaats van Philips. De initiatiefnemers tot de Yad Vashem-onderscheiding benadrukken dat deze niet in het leven was geroepen vanwege de goedkope arbeidskrachten, maar om de joodse medewerkers van Philips te helpen. De firma zorgde voor voedzame maaltijden en de gevangenen waren een tijd lang gevrijwaard van deportatie.

Overigens bestond de werkplaats al een half jaar voor de komst van de Sobu-groep. Frits Philips schrijft in zijn memoires dat de Duitsers begin 1943 voorstelden om de gevangenen in kamp Vught voor Philips te laten werken. Hij weigerde eerst, maar dacht toen dat het bedrijf de gevangenen door het werk kon helpen.

Het 'Philipscommando' werd in juni 1944 als laatste groep uit Vught naar Auschwitz gestuurd. Philips regelde dat Telefunken de werkkrachten overnam, zodat de gevangenen opnieuw overgeplaatst werden naar fabrieken in de omgeving van het vernietigingskamp. Vijftig van hen bleven wel in Auschwitz achter en kwamen daar om. Van de 500 joden die vanuit de Philipswerkplaats op transport werden gezet, hebben 382 de oorlog overleefd.

Opmerkelijk bij de onderscheiding van de ex-directeur van Philips, is dat het bedrijf al die tijd aan de Duitsers leverde. Niet alleen in Vught, maar ook in Eindhoven en in buitenlandse vestigingen werd oorlogsmateriaal voor de Duitsers gemaakt. Drie van de tien in Duitsland gebruikte radiolampen kwamen tussen 1940 en 1945 van Philips. Vestigingen in het buitenland leverden zowel aan de nazi's als aan de geallieerden. Het kwam Philips in Eindhoven op twee bombardementen door de geallieerden te staan.

mailIcon print |