*

 
dossier

Archief

JAAP DE VLIEGER

ADRI VERMAAT − 08/02/97, 00:00

Met een kus op beide wangen bezegelde de Franse minister van Justitie Toubon donderdag de normalisatie van zijn relatie met minister Sorgdrager. Frankrijk krijgt meer begrip voor ons drugsbeleid. Het klinkt Jaap de Vlieger (48), 'drugsexpert' bij het bureau zware georganiseerde criminaliteit van de politie Rotterdam-Rijnmond, als muziek in de oren: “Zo slecht doen we het hier niet.”

Ik werk in de meest interessante regio van Europa. Onze haven ziet jaarlijks bijna 3,5 miljoen containers passeren en dat is natuurlijk gigantisch. Maar het korps Rotterdam-Rijnmond omvat ook een paar districten op het platteland. Die twee uitersten maken van dit gebied één dynamisch geheel. Dat in de haven regelmatig drugs en andere duistere goedjes worden aangevoerd, is onontkoombaar. Dan mogen ons bevriende regeringen kritiek spuien op het Nederlandse drugsbeleid, terecht vind ik die niet. Als Rotterdam, de grootste en daarmee meest gevoelige haven van Europa, in Frankrijk had gelegen, waren wij dan even kritisch, lag het vuiltje dan dáár?

Drugs zijn naar mijn overtuiging een gezamenlijk probleem. Van lieverlee zie en merk ik gelukkig dat de internationale drugsaanpak meer en meer gestalte krijgt. Het is de politiek die de weg moet banen, maar helaas nog te vaak in gekissebis over en weer blijft steken. Op zich begrijp ik dat wel, de Franse wetgeving verschilt nu eenmaal flink van die van Nederland, maar als politie koop je daar weinig of niets voor. We moeten elkaar zien te vinden en daarnaast is het ook best even wennen. Op politieniveau is er niettemin al heel veel wederzijds begrip, dat is voor nu en later het belangrijkst.

Van alle politiekorpsen heeft alleen dat van Rotterdam een 'drugsexpert' in huis. Dat vind ik jammer, want dat maakt het soms lastig ideeën te bespreken. Waarmee ik overigens niet wil zeggen dat ik de enige politieman ben met verstand van drugs. Iedere dag is voor mij een verrassing, het is altijd afwachten wat er zoal op mijn bordje komt. Net nog was er telefoon uit Engeland, Britse agenten wilden met het oog op een strafzaak de prijs weten die op de Nederlandse markt voor een gram heroïne wordt betaald. Daar hoef ik m'n computer niet voor te raadplegen, want dat kan ik ze zo vertellen, ook al is die prijs afhankelijk van de kwaliteit van de drugs.

Ik ervaar mijn werk nooit als sleur. Ik geef lezingen op scholen of aan collega's, geef adviezen aan leerkrachten en ouders, ben actief voor het Trimbos-instituut. Onlangs nog hebben we in Rotterdam een XTC-campagne gevoerd, gericht op kinderen die níet gebruiken. Er was een prijsvraag aan verbonden en toen we de inzendingen bekeken, zagen we dat vooral de 12-, 13- en 14-jarigen hadden gereageerd. Voor mij het signaal dat de overheid met de drugsvoorlichting aan 16- en 17-jarige verkeerd zit. Kinderen gaan op steeds jongere leeftijd naar de disco, de houseparty, zo simpel ligt dat. Als je dan aan drugspreventie doet, moet je wèl de samenstelling van de doelgroep in de gaten houden.

Politiemensen die in Rotterdamse wijken of in omliggende plaatsen werken, adopteren daar scholen. Ze worden, zeg maar, één met zo'n school en geven er tien lessen per jaar. Over racisme, vandalisme en zeker ook drugs. Er zijn gemeentelijke instellingen die daar moeite mee hebben, ons als een 'concurrent' zien. 'Wat moet de politie nou over drugs kwijt?', vragen ze. Dat irriteert me soms behoorlijk, wij vertellen 12 000 leerlingen van het basisonderwijs over drugs, meer niet.

Ik ben altijd bezig met drugs. Een privéleven heb ik wel, maar vaste werktijden zijn er niet bij. De impact van drugs op de samenleving is ook enorm. Het fenomeen haalt al sinds de jaren '60 met zeer grote regelmaat alle voorpagina's en dat zal zo blijven. Enerzijds komt dat door de mystiek die er omheen hangt: gebruikers veranderen soms in wonderlijke wezens. Maar ook spelen nieuwe ontwikkelingen een rol. Neem de opkomst van synthetische drugs en paddestoelen. Alles wijst erop dat heroïne uit de gratie is geraakt en dat de amfetaminen en XTC verder oprukken. Dat laatste is een heel zorgelijke ontwikkeling. Het XTC-gebruik is te lang te veel onderschat, er is te weinig aandacht voor geweest.

In 1983 ben ik bij de toenmalige narcoticabrigade van het Rotterdamse korps aan de slag gegaan. Toen al ging mijn belangstelling sterk uit naar wat jongeren van drugs vinden, hoe ze daar tegenaan kijken en hoe ze ermee omgaan. Ik heb me gespecialiseerd in hun uitgaanspatronen en hun muziekcultuur. Nu nog ga ik twee, drie keer maand naar een willekeurige houseparty. En ik schrik me wild als ik daar driekwart van de jongeren pillen zie slikken. Ik zie jonge kinderen vluchten in XTC-gebruik. Want dat het een vlucht is, staat voor mij vast. Die kinderen hebben het thuis kennelijk niet naar de zin, zij kunnen slecht met hun ouders overweg en presteren matig op school. Door XTC of amfetaminen te gebruiken, tellen ze voor hun gevoel opeens mee. Tot de drugs zijn uitgewerkt en ze met beide benen hardhandig op de grond worden gezet. De dreun die ze dan krijgen is in veel gevallen helaas de aanzet om weer een pilletje te nemen. Zo krijgt de vlucht een permanent karakter met als bijkomend effect de stap naar de criminaliteit.

Niet bekend

Als vertegenwoordiger van het korps Rotterdam-Rijnmond probeer ik een boodschap uit te dragen. Preventief ja. Ik heb gelukkig alle kans me te ontplooien. Een tijd geleden nog ben ik voor m'n werk nog naar Australië, Tasmanië en Singapore geweest. Maar ook de techniek helpt een handje. Hier, moet je dit eens zien: wereldwijd de marktprijzen van drugs. Hebben collega's voor gezorgd, dankzij Internet. Dat is nuttig, net als de 'drugskaart' die ik voor de collega's heb ontworpen en waarop alle namen staan, de werking ervan, de risico's, de gebruikermethode, alles.

En als ik dan de zaken op een rij zet, zeg ik opnieuw dat Nederland zich heus geen schuldcomplex hoeft aan te praten. Zo slecht doen we het niet. Het is ook geen toeval dat na de politiereorganisatie van een jaar of vier geleden grote 'vangsten' zijn gedaan. De Hakkelaar, Etienne U., deze week nog een bende in het Gooi en eerder meermalen in Rotterdam. Niet slecht, lijkt me. Het cruciale punt is gewoon dat wij onderscheid maken tussen gebruikersmarkt en handelsmarkt.

Wanneer een gebruiker problemen geeft, dan is dat een zaak van de samenleving. Is er overlast in het geding, dan is dat een probleem voor de politie. Daar zit het grote verschil met een land als Frankrijk, dat vooral repressief optreedt naar de gebruiker en minder naar de zware, georganiseerde criminaliteit. Die aanpak werkt minder, waar nog bijkomt dat de Nederlandse politie over uitstekend materiaal beschikt, zoals handtelefoons, auto's, informatiekanalen, noem maar op. Ik durf rustig te zeggen dat veel buitenlandse collega's daar met een scheef oog naar kijken.

Als ik over drugs praat, denk ik aan piramides. Aan de top zitten de 'trendsetters', daaronder de distributiekanalen naar de straat. Met de paddestoelen is dat ook zo. Er wordt telkens een nieuwe markt gecreëerd en dat beangstigt me. Dumpen, dat is het woord. Neem smartdrugs, die stellen niks voor. Wie daar geld voor uittelt, koopt een illusie. Maar er is kennelijk wel een markt voor.''

mailIcon print |