Het CNV zet zichzelf buitenspel. Het voorstel om afspraken van de sociale partners verplicht op te leggen aan het bedrijfsleven, is een krampachtige poging om in een veranderd speelveld een nieuwe plaats te veroveren. Eén die tot mislukken is gedoemd.
De christelijke vakbeweging is niet te benijden. Zij heeft alle problemen die de FNV ook heeft. Het economisch leven globaliseert. De technologische ontwikkelingen gaan in rap tempo. Tegelijkertijd eisen de bedrijven en hun werknemers flexibilisering en maatwerk. Alle vakcentrales zijn daarom met een pijnlijk overgangsproces bezig. Er moet een ander soort vakbond komen, die ook de werknemer van de 21e eeuw aanspreekt.
Maar het CNV heeft daarnaast eigen problemen te over. De oude lijntjes naar de regering en het torentje zijn weg, nu paars voor het eerst in decennia de christen-democraten van het regeringspluche heeft weggehouden. Ook de eigen maatjes in werkgeversland zijn niet langer: de NCW fuseerde met het VNO. En de NCOV ging met de katholieken samen op in Midden- en Kleinbedrijf Nederland (MKB). Verder weet het CNV niet aan te haken bij belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen die juist in haar voordeel zouden kunnen zijn. Gemeenschapszin moet. Het gezinsdenken is weer terug. En religie is zeer fashionable. Maar zoals de gevestigde kerken niet weten te profiteren van de golf van belangstelling voor levensbeschouwing, slaagt het CNV er ook niet in een brug te slaan naar nieuwe groepen in de samenleving. Het ledenbestand leunt nog altijd op de oude achterban en vergrijst.
Behalve met zijn grondslag onderscheidde het CNV zich ook lang van de FNV door zich als redelijk alternatief op te werpen. Maar dat onderscheid verdwijnt sinds de FNV naar het midden opschuift. Ook de categorale bonden rukken op. Die eisen gewoon veel geld, en dat slaat ook bij de redelijke CNV'ers aan. Om niet in dat geweld ten onder te gaan, kwam het CNV onlangs voor het eerst in jaren zelfs met een hogere looneis dan de FNV.
Het roer moet om, en wel snel. Dat beseft ook het CNV. Al jaren studeert zij op een nieuwe organisatie. En af en toe gebeurt er ook wat: een fusie van de grafische bond met de Dienstenbond. De vier marktbonden gingen samenwerken en ook de twee onderwijsbonden vonden elkaar. Het CNV had lang een voorsprong op de FNV. Maar met het plan van vier FNV-bonden om in één grote bond op te gaan, kwam de concurrent ineens langszij.
Doekle Terpstra, baas van de Industrie- en voedingsbond en de grote aanjager van het reorganisatieproces in het CNV, sloeg de schrik om het hart. Hij begon nog harder te duwen. Maar onder al die druk kwamen de verschillen in visie over hoe het dan anders moest, naar boven. Doorlopende ruzie was het gevolg. Nu eens tussen industrie- en dienstenbond, dan weer tussen de industrie- en ambtenarenbond CFO, en tot slot tussen de CFO en de vakcentrale. Uiteindelijk sloegen de heren voorzitters elkaar publiekelijk om de oren. Ongehoord voor het CNV, dat het harmoniemodel koestert en interne ruzies toedekt. Vechtend over straat rollen was ooit een specialiteit van de FNV'ers.
De vakcentrale zelf ligt intussen nagenoeg stil. Deels door de dadendrang van zijn grootste bonden. Voor een ander deel omdat de interne vernieuwing alle energie opslurpt. Maar ook de persoon van voorzitter Anton Westerlaken heeft er mee te maken. Hoeveel kwaliteiten hij ook heeft, knopen doorhakken is er zeker niet één van. In deze uiterst benarde situatie komt in het CNV weer een hele oude reflex naar boven: de gedachte aan souvereiniteit in eigen kring. Want daar komt het plan voor een super-AVV, het opleggen van de afspraken van de sociale partners aan alle sectoren, toch op neer. De sociale partners trekken het initiatief weer naar zich toe. De politiek zorgt alleen nog voor de randvoorwaarden: zij zet een stempel op het akkoord en ziet toe op de naleving.
Het is goed voor te stellen dat dit oude idee van Abraham Kuyper voor het CNV aantrekkelijk is. Het speelt dan op het centrale niveau weer een grote rol, een rol die groter is dan het ledental rechtvaardigt. Toch is het plan niet realistisch. Meteen na zijn aantreden sneed minister Melkert flink in het overlegcircuit, en zette een ramkoers in tegen de sociale partners. Pas sinds vorig jaar zijn overheid en sociale partners weer 'on speaking terms' en stelt het kabinet prijs op hun aanbevelingen. Het is ondenkbaar dat Melkert weer opzij gaat, om voortaan de sociale partners alleen nog te bedienen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.