*

 
dossier

Archief

Sprinten is geen minderwaardige schaatsvorm

MART SMEETS − 01/02/97, 00:00

Sprinten dus, sprinten op de schaats. Geen geklets dit weekend dus of het wel of niet goed is die vermaledijde (?!!) klapschaats onder te binden: gewoon heel hard de 500 meter afrossen en later maar kijken of er nog wat over is voor de 1000 meter.

Een sprinttoernooi gaat lekker snel, dat ten eerste. Er zit altijd een surplus aan tragedie in, want favorieten vallen, outsiders halen ere-plaatsen, starters kunnen er niets van en de zenuwoorlog tussen de beste spierbonken is over het algemeen heel aardig om aan te zien.

Iedere rechtgeaarde schaatsliefhebber moet nog weten dat de Canandees Boucher en de Russische beer Klebnikov ooit een heroïsch toernooi uitvochten waar je als (Nederlandse) outsider van naar het puntje van je stoel schoof: iedere duizendste van een seconde telde, ieder blik opzij was geladen met tonnen venijn en de afsluitende kilometer acht ik nog steeds tot de mooiste ritten ooit gereden. De Spierbonk uit Rusland die bijna uit zijn pak knalde van de anabolen en de adrenaline en daarnaast die fijn besnaarde Quebecois, de Frans-Canadees die beter dan wie ook langs de sneeuwrand kon rijden.

Dat ritje, op een pesterig leeg en open baantje in, ik meen, Trondheim, heeft me voor eeuwig gewonnen voor het sprinttoernooi.

Wij Nederlanders, volgers van het allround-schaatsen hebben niet zo veel met sprinten: het is net alsof we het een minderwaardige schaatsvorm vinden. Wij willen technisch mooi, gestyleerd en keurig een fraaie vijf kilometer afleggen. In een vlak schema liefst. Amerikanen, Canadezen, Koreanen en Japanners zijn dan al negen keer thuis: voor hen is schaatsen die maffe sprint waarin balans, snelheid, pijn, middelpuntvliedende kracht en techniek het met elkaar opnemen. Dan Jansen schreef historie op de 500 meter en wandelde pas de hemel binnen via de kilometer, Jos Valentijn stond op het punt een Hollandse legende te worden toen hij in Berlijn drie black-outs achter elkaar had en een Hollandse legende werd, Igor Zjelesovsky, het oermens op Viking-schaatsen, werd wereldberoemd door zijn onwaarschijnlijke kracht op de sprint, Lieuwe de Boer, de mooiste stylist van Ureterp en omstreken, schreef geschiedenis door een fijnbesnaard 500 metertje in Lake Placid te rijden, Erhard Keller werd een gevierd tandarts in Beieren.

Sprinters zijn raspaarden, dat is een cliché, maar wel waar. Sprinters zijn maf, onstuimig en keren, als ze uitgereden zijn, terug op aarde. Ik herinner me nog een suffig sprinttoernooi om het Nederlands kampioenschap op die triestmakende baan in Den Haag. Jan van den Roemer werd kampioen met één duizendste seconde voorsprong op . . . Kijk de winnaar blijft behouden, de verslagenen glijden weg in de mist. Van den Roemer, die verder geen grote uitslagen reed, maakte dat kampioenschap. En how about Leo Linkovesi en Froede Ronning? Neil Blachford en die maffe Suzuki die ineens uit het Japanse niets kwam. Kijk, Eric Heiden was iets speciaals, noch sprinter, all-rounder, Heiden was alles op schaatsen. Van zijn vele hoogtepunten moet deze bij u toch nog terug te halen zijn: Inzell, eerste bocht op de 500 meter. Heiden raast voort, dreigt te vallen, maar balanceert zich op ongelofelijke manier terug in zijn sprinterskadans. Via een bizarre pirouette en een hoge graad van concentratie is hij binnen drie-tiende seconde terug in het spoor en wint hij: fabelachtig.

Sprinters hebben allen verhalen, gekke voorvallen, idiote vertellingen. Ik herinner me de Koreaan Ki Tae Ba, een merkwaardige man die ineens sprintjes van ruim 36 seconden neerlegde en de wereldtop omver reed.

Ba was een stil mens. Hij knikte je wel eens toe in de gangen van welk stadion dan ook en dat was het dan. Tot die keer dat ik hem voor een portretje voor de tv benaderde. We lieten de camera lopen en zagen wel wat het zou worden. Hij knikte heel veel in zijn ultra-korte antwoorden. Ja, sprinten was fantastisch, yes, yes. Tot slot stelde ik hem de vraag of hij wel eens de tien kilometer gereden had of dat hij er wel eens aan gedacht had. Hij keek me met verschrikte ogen aan en sprak de gedenkwaardige woorden; 'No . . . no me riding ten kilometers . . . no, that is murder on ice . . . me like sprint, that is love for me . . .'. Mooier kan sprinten niet uitgelegd worden.

mailIcon print |