*

 
dossier

Archief

Strategisch monisme

Willem Breedveld − 21/01/00, 00:00

Sinds Ed Nijpels begin jaren tachtig als piepjonge fractievoorzitter van de VVD het strategisch monisme als wapen tegen de oude garde inzette (waarmee hij onder meer VVD-minister van justitie Korthals Altes bedoelde), is het dualisme me tot as in de mond geworden. Dat zit zo. De VVD is van huis uit voorstander van dualisme, dat wil zeggen zij vinden dat het parlement en het kabinet niet te veel op één hoop moeten worden gegooid. Ieder zijn eigen verantwoordelijkheid. Het mooiste zou zijn als die twee zich tot elkaar zouden verhouden als macht en tegenmacht.

Daar stelde Nijpels tegenover dat hij als fractievoorzitter af en toe best bij de zittende ministers op schoot wilde zitten, tenminste zolang het hem in de kraam te pas kwam. Een monisme dus om het kabinet-Lubbers dualistisch onderuit de zak te kunnen geven. Het was leuk bedacht, maar in zijn jeugdige onbezonnenheid verkeek hij zich lelijk op de werkelijke machtsverhoudingen.

Weliswaar verwierf hij met zijn strategisch monisme vitale kennis over de plannenmakerij van het kabinet, maar het bleek een misvatting dat hij vervolgens ook nog eens de dualist zou kunnen uithangen. Hij had buiten de macht van Lubbers gerekend, buiten de macht ook van de oude VVD-garde en zo draaide zijn fraaie strategie al gauw uit op de ene nederlaag na de andere.

De conclusie uit dit verhaal is dat de ruimte voor een dualistische staatsopvatting binnen een regeringscoalitie buitengewoon klein is. Bolkestein probeerde het later ook op zijn manier, hij timmerde flink aan de weg, bijna als een oppositieleider. Maar als puntje bij paaltje kwam trok ook hij, net als Nijpels, meestal aan het kortste eind. Eigenlijk vond Bolkestein dat ook niet zo erg: hij had aandacht gekregen en daar leek het hem vooral om te zijn begonnen. Afijn, om al die redenen verbaasde het mij dat de 'Staatscommissie dualisme en lokale democratie', de commissie-Elzinga, uitgerekend dit haperende kompas van het dualisme, dit Binnenhof-model, tot uitgangspunt heeft genomen voor provincies en gemeenten.

Formeel bestuurt nu nog de gemeenteraad als geheel de gemeente, maar als Elzinga c.s. zijn zin krijgt worden het bestuur (burgemeester en wethouders) en de raad uit elkaar getrokken. Als het je erom te doen is het bestuur te versterken, akkoord. Tot voor kort maakte de wethouder deel uit van de raad, was hij gewoon lid van een raadsfractie. Straks mag dat niet meer. Dan moet hij net als een minister zijn raadszetel prijsgeven (of hij wordt van buiten aangetrokken, dat mag ook) en kan hij zich met zijn ambtenaren concentreren op het bestuur. In de praktijk zal hij nog minder rekening houden met de raad dan nu het geval is, hij zit niet meer in zijn midden, fractievergaderingen kan hij overslaan.

Ja, maar zal Elzinga zeggen, de raad controleert. De raad krijgt van mij zelfs het enquêterecht, net als de Kamer, en de raad heeft het laatste woord. Hij kan het vertrouwen in de wethouder opzeggen. Dat is waar en een uitstekende raad, die de straat op gaat, zoals Elzinga zo graag wil, en die de deuren openzet en over uitgesproken ideeën en opvattingen beschikt, zal zich in dit systeem uitstekend kunnen vinden.

Maar aan ideeën en opvattingen en aan goeie mensen is nu juist een schreeuwend gebrek. Vandaar dat de zittende raadsleden het buitje al zien hangen: ze worden gewoon gedegradeerd tot een controleurtje op afstand die nog minder in de melk te brokkelen heeft dan nu het al het geval is. Ze kunnen nog wat strapatsen bedenken in de geest van het strategisch monisme van Nijpels om vervolgens net als hij tot de conclusie te komen dat er weinig anders opzit dan te buigen voor de macht. Hoe Elzinga dit kan presenteren als een versterking van de lokale democratie is me werkelijk een raadsel. Tenzij hij hoopt op het wonder van een echt dualisme.

mailIcon print |