AMSTERDAM - Op 1 maart zal de Amsterdamse toneelwerkplaats Amphitheater wegens subsidiestop de deuren moeten sluiten. Het theater neemt, alleen deze week nog, afscheid met een toneelproductie die zich bij uitstek leent voor een statement over de verhouding kunst en politiek, maar benut die gelegenheid niet. Met veel goede wil zou dat een ultiem vertoon van onafhankelijkheid kunnen heten, als het niet tegelijk zo zinloos was. Niet beklijvend als signaal is het, sterker nog, meer dan een gemiste kans. Het raakt aan de kern van het beleid waarmee Amphitheater zichzelf onbedoeld vatbaar heeft gemaakt voor een aangekondigde dood.
De dichter Tasso, de tussen een conflict met een bevriend politicus en de (financiële) gunsten van zijn broodheer gemangelde titelfiguur uit 'Torquato Tasso' van Goethe, is in de opvoeringsgeschiedenis uitgegroeid tot het symbool van de spanning tussen kunst- en politieke wereld. In de Amphitheater-productie valt daar niets van te merken. Dat was ook niet bedoeling van de regisseur en de artistieke leiding van Amphitheater heeft geen enkele poging gedaan hem daartoe te verleiden. En daar zit 'm het probleem.
Amphitheater heeft zich altijd opgesteld als een werkplaats die jonge, beginnende theatermakers de ruimte en technische faciliteiten verschafte om eigen projecten te ontwikkelen. Niet minder maar ook niet meer. De artistieke kwaliteit was afhankelijk van en wisselde per maker, want in dat opzicht bood Amphitheater geen context die als houvast of, desgewenst, als basis tot verzet zou kunnen dienen. Zo'n artistiek vrijblijvende houding kan voor makers tot op zekere hoogte prettig zijn, maar nodigt niet uit tot confrontatie en zelfonderzoek. Voor de herkenbaarheid van het theater is het al evenmin bevorderlijk.
Een publiekstheater is Amphitheater dan ook niet geworden. Op de try-out van 'Tasso', die ik bezoek, zitten buiten direct-betrokkenen welgeteld zeven toeschouwers. Erg is dat niet, want een werkplaats is er in de allereerste plaats om gelegenheid tot onderzoek en ontwikkeling te geven, maar jammer is het wel. Een werkplaats moet ook daarbuiten nieuwsgierigheid wekken. Wel kwamen langzamerhand wat vaker dan vroeger acteurs en actrices kijken naar het werk van een maker, die hen voor een andere productie had gevraagd.
Dat Amphitheater verzuimd heeft zich een artistiek profiel te verschaffen mag, nee, moet het zichzelf verwijten. Amphiteater had eerder de hand in eigen boezem moeten steken en inzien dat bedoeld verzuim bovendien niet verstandig is, want kwetsbaar maakt voor politieke willekeur. En daar is nu sprake van. Nog maar drie jaar geleden stelde de gemeente Amsterdam Amphitheater in staat tot een grondige verbouwing en bepleitte de wethouder voor cultuur hoogst persoonlijk bij het landelijk Fonds voor de Podiumkunsten voor het wél toekennen van subsidie. Nu lijken de argumenten van toen niet meer op te gaan en trekt dezelfde wethouder de meerjarige, gemeentelijke subsidie in. En dat, terwijl Amphitheater juist in de afgelopen tijd heeft aangetoond de toen zo opgehemelde functie te vervullen en in een behoefte te voorzien. Juist voor jonge makers is het van belang dat zij zich met een professionele accommodatie kunnen meten.
Het geld voor de verbouwing lijkt nu weggegooid te zijn in het donkere gat van leegstand. Het toneelbeeld van 'Tasso' lijkt stiekem toch naar die trieste situatie te verwijzen. Het als een baldakijn boven de vrijwel kale speelvloer geplooide, zwarte gordijn wekt associaties op met een rouwkapel. Dat kan toch nooit de bedoeling zijn van een aantrekkelijk en zeer centraal gelegen theatertje.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.