*

 
dossier

Archief

Er zijn geen wetten die voetpaden beschermen

HARO HIELKEMA − 23/03/95, 00:00

AMSTERDAM - In wetenschappelijke taal heet het een 'onoverzichtelijke situatie', in de bewoordingen van Peter Spruijt is het een oerwoud. De wetten en regels die invloed hebben op de wandelmogelijkheden in Nederland zijn legio, maar er is er geen één die voor de wandelaar de toegang tot het landelijk gebied regelt.

Engeland heeft wel een wandelwet. Zelfs het Huis van Windsor moet zich daar aan houden, ook al probeert Her Majesty voor haar landgoederen een uitzonderingspositie te creëren en komt zij zo in aanvaring met een deel van haar onderdanen. In Nederland blijft het modderen voor de wandelaar, zegt Peter Spruijt van de vereniging van vrije wandelaars Nemo. Wetgeving die mogelijkheden biedt om te wandelen is er voldoende, maar de toepassing ervan is niet gericht op wandelen. Er bestaat geen wet of regeling waarin het 'recreatief medegebruik' voor de voetganger is vastgelegd.

Spruijt put zijn conclusie uit een onderzoek van de Landbouwuniversiteit Wageningen, uitgevoerd op verzoek van Nemo en gisteren aangeboden op het ministerie van landbouw. Onderzoekster Liset Moerdijk heeft in het rapport 'Voet bij stuk' de wirwar van wetteksten, jurisprudentie en andere literatuur bestudeerd waar de 'vrije wandelaar' mee te maken heeft.

De opsomming van de toepasbaarheid van de wet- en regelgeving voor wandelaars is vrij eentonig. De Wegenwet is wel van toepassing op alle openbare wegen, maar wat een openbare weg is, vermeldt de wet niet. Wegen met een duidelijke verkeersfunctie hebben de bescherming van deze wet niet meer nodig, onverharde paden des te meer, omdat hun belang voor de recreanten vaak wordt onderschat. Het is vrij simpel onverharde paden uit de openbaarheid te halen (hekje ervoor, verbodsbordje erbij). En de gemeentelijke wegenleggers - waarin alle openbare wegen en paden staan - zijn vaak al zo verstoft, dat ze geen beschermende werking meer hebben. Hèt voorbeeld is een openbaar pad langs de Wijde Aa (Z-H), waar een boer gebruikers van het dijkje met hoge hekken en verbaal geweld weet af te schrikken en de gemeente (Alkemade) onder deze druk zwicht en een alternatief zoekt.

De Wegenverkeerswet biedt de mogelijkheid onverharde paden en B-wegen af te sluiten voor gemotoriseerd verkeer, maar in de belangenafweging blijken wandelaars amper een rol te spelen: ze zijn slechts los zand, ongeorganiseerd en verstoken van een goede lobby. De autoweg over de Posbank bij Rheden geeft volgens Spruijt aan dat voetgangers niet in tel zijn: het belang van de café-eigenaar die bereikbaar wil blijven voor automobilisten weegt zwaarder dan dat van wandelaars en fietsers.

De Landinrichtingswet is in het verleden als een Grote Boze Wolf gehanteerd tegenover de wandelaar. Van de onverharde paden en wegen is na de oorlog 80 procent door ruilverkavelingen van de kaart geveegd en aan de openbaarheid onttrokken. Ook hierbij geldt dat de stem van de voetganger (als die zich al laat horen) niet telt. Bestemmingsplannen zouden ruimte kunnen scheppen voor wandelpaden, maar slechts weinig overheidsinstanties houden daar rekening mee. Sommige provincies (Zuid-Holland) benadrukken in hun streekplannen het belang van voetpaden, maar kunnen gemeentes niet dwingen wandelmogelijkheden in een bestemmingsplan op te nemen.

Liset Moerdijk stelt vast dat wandelaars (recreanten in het algemeen) weinig of geen inspraak hebben of een bos of natuurgebied toegankelijk voor ze is of niet. Ze zijn afhankelijk van wat de beheerder of eigenaar vindt. Die kan zonder opgaaf van reden een terrein sluiten. Spruijt: “Je bent overgeleverd aan de goedgunstigheid van de beheerder. Of het nu Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten of een waterschap is - ze belijden allemaal de toegankelijkheid, maar in de praktijk houden ze vrije wandelaars liever buiten. Het is bijna middeleeuws: er is geen enkel recht om je op te beroepen. Met 'Voet bij stuk' is nu aangetoond dat wetten niet functioneren als bescherming van voetpaden. Daarom verdwijnen voetpaden tussen de wal en het schip. Paden die feitelijk openbaar zijn, worden zelfs met politiedwang niet opengesteld; kijk maar naar het voorbeeld van de Wije Aa.”

Volgens Liset Moerdijk breekt ook het ontbreken van een gemeenschappelijke stem de wandelarij op. Wandelaars nemen vaak geen gezamenlijk standpunt in, ze laten zich niet horen en geven onvoldoende bekendheid aan hun belangen. Zouden ze dat wel doen, dan biedt dat ook binnen de bestaande wet- en regelgeving mogelijkheden. Zodat het vanzelfsprekend wordt dat er overal kan worden gewandeld.

Spruijt: “Wij moeten duidelijk maken dat we een fundamenteel recht hebben op bewegingsvrijheid. Het moet niet mogelijk zijn dat een pad als het Laantje in Leersum, waar al eeuwen op wordt gewandeld en de meest logische verbinding is tussen Leersum en Wijk bij Duurstede, plotseling door een tandarts die zich langs het pad vestigt kan worden afgesloten. Terwijl je denkt dat het gewoonterecht toch het sterkste recht is wat er bestaat. Je hebt daar als wandelaar niets over te zeggen; dat is toch te gek voor woorden. Dan gaat je rechtsgevoel naar de knoppen.”

Wandelorganisaties moeten hun braafheid laten varen, interpreteert Spruijt het rapport. “We moeten 'Voet bij stuk' benutten om aan de weg te timmeren, samen met onze wensen naar buiten te komen. Fietsers hebben wèl hun lobby gekregen via acties; ik heb daarvoor ooit nog met mijn fiets op het Museumplein op de grond gelegen.”

“Als wandelaars willen wij niet wild doen of zo. Wij willen onverharde paden beschermen, paden die tien jaar vrij toegankelijk zijn geweest moeten juridisch en feitelijk openbaar zijn en wandelorganisaties moeten meer invloed hebben bij landinrichting. En er moet een fonds komen waaruit wandelorganisaties wandelpaden kunnen opkopen.”

mailIcon print |