*

 
dossier

Archief

Toscaanse steensoort is niet waterbestendig

RUUD VAN HAASTRECHT − 10/01/96, 00:00

AMSTERDAM - De conditie van het Nationaal Monument op de Dam is ernstiger dan hij tot voor kort dacht, wil Frans Cornelis wel toegeven. Maar hoe ernstig precies, daarover kan de rayonmanager beheer openbare ruimte in Amsterdam-centrum pas in mei iets met zekerheid zeggen.

Dan is het onderzoek gereed dat zijn dienst haastig heeft ingesteld, nadat op tweede kerstdag spontaan een brok steen van het Nationaal Monument ter aarde viel. Het ging om een stuk van de sokkel waarop de vrouw met kind staat, symbool voor de vrede en wie weet een speelse knipoog van beeldhouwer John Rüdecker en architect J. J. P. Oud naar de naoorlogse babyboom. Maar de steensoort waaruit het is opgetrokken, dreigt het monument nu noodlottig te worden.

De bedoeling van Rüdecker en Oud was zo mooi. Breken wilden ze met de toenmalige monumententraditie, waarbij monumenten werden opgetrokken uit somberstemmende steensoorten. Ze kozen voor travertin uit het Italiaanse Toscane, met een vrolijke lichtcrème tint. Maar de kalksteensoort heeft ook poreusheid als eigenschap. Er zitten grote holten in waar water in kan komen. Cornelis meent zich te herinneren dat er spontaan een nationaal debatje ontstond nadat Rüdecker en Oud zich publiekelijk tot travertin hadden bekeerd. Vakgenoten uitten meteen hun twijfel over de duurzaamheid van de steensoort. Maar de architect en beeldhouwer woven de kritiek weg als 'broodnijd', daarin gesteund door de opdrachtgever, het Nationaal comité voor oorlogsgedenktekens.

Zelfs het eerste blijk dat travertin niet zo waterproof was, in 1959, drie jaar na de onthulling, bracht Oud niet aan het twijfelen. Een onderzoek van de hoofdstedelijke Dienst Publieke Werken had uitgewezen dat de scheuren in de linkerpoot van de alleenstaande leeuw aan de kant van de Bijenkorf en in een van de grote figuren, veroorzaakt waren door bevriezing van doorgesijpeld water. Oud haalde zijn schouders op over de koude 'drukte om enige scheuren'. In De Groene Amsterdammer reageerde hij: “Met travertin (overigens: een uitstekende steen) is dit niet zo vreemd. Er zitten weleens holten in, of door de gelaagdheid ontstaat weleens een spleet. Het is alles niet zo erg. Travertin moet bijgehouden worden, min of meer als een ijzerconstructie of als een gebit. Onderhoudt men het regelmatig, dan gebeurt er niets en kan het heel lang mee. En dat onderhoud is niet kostbaar of ingewikkeld.”

Maar in 1964 moest het Nationaal Monument nochtans fors onder handen genomen worden. De voegen tussen de travertin platen en de gemetselde kern bleken aan erosie onderhevig te zijn, waardoor regenwater en vuil het monument binnen konden dringen. Publieke Werken vulde in twee jaar tijd de holtes met plastische kit en cement en maakte met mortels de losgeraakte platen weer aan het skelet vast. Sindsdien is er nooit meer iets aan het Nationaal Monument gedaan.

Het brok steen komt voor Cornelis niet helemaal uit de lucht vallen. Zijn Dienst beheer openbare ruimte was al aan het nadenken over een onderzoek naar de bouwkundige staat van het 22 meter hoge monument. En toen viel er zomaar een hoek af van de zijplaat van de vrouwensokkel. “Gescheurd en losgeraakt”, zegt Cornelis, “door water dat binnenin was uitgezet door de vorst”. Zijn dienst nam geen enkel risico en plaatste meteen hekken rondom het monument totdat het overal grondig beklopt en betast was.

De voorzorgsmaatregel bleek niet overbodig. Gisteren heeft de Dienst de travertin platen aan de drie zijkanten verwijderd, evenals de helft van de grote sokkel waarop het hele monument rust. “Die zaten zodanig los”, zegt Cornelis, “dat er kans was dat die ook naar beneden zouden komen”. De komende twee weken worden er nieuwe kalkstenen platen aan bevestigd, zodat het Nationaal Monument er weer pront bij staat als het Canadese staatshoofd in maart een krans komt leggen.

Hij sluit niet uit dat behalve regenwater er nog andere oorzaken kunnen zijn voor de deplorabele toestand van het monument, zoals de uitstoot van industrieën en de chemische rotzooi waarmee het monument regelmatig van graffiti ontdaan wordt. “Dat dringt ook door die poriën heen en kan binnenin van alles doen.”

Wat precies, dat moet uit het onderzoek blijken. Verder wordt via boringen, akoestisch onderzoek en inkijkoperaties geïnventariseerd in welke staat het monument zich bevindt. En er is nog de vraag wie het zal betalen, zegt Cornelis. “Er zijn al bedragen genoemd die ver in de miljoenen lopen als je het over fors restaureren hebt.”

mailIcon print |