*

 
dossier

Archief

Naar Nickerie

Door: redactie − 02/02/00, 00:00

Schrijver Clark Accord is voor enige tijd terug in Suriname. Hij schetst het dagelijks leven in zijn door economische chaos geteisterde land. Iedere woensdag, in de Verdieping.

Het is half vijf 's morgens en buiten is het donker. De taxi raast met grote snelheid door de uitgestorven straten van Paramaribo. Het kostte me vanmorgen geen moeite uit bed te komen - al dagen verheug ik me op deze trip. Ik buig me voorover naar de taxichauffeur. ,,Komen we op tijd? Ik mag de bus niet missen.''

De Hindoestaan knikt. ,,De bus vertekt om zes uur en Ondrobong is zo ver niet meer.''

Zonder acht te slaan op de verkeerslichten kruisen we de Van Idsingastraat. Mijn ouderlijk huis is in diepe slaap gedompeld. Zoete herinneringen uit mijn kindertijd komen bovendrijven. Hier waren wij de baas. De straten hier hebben voor mij geen geheimen.

Als ik bij Ondrobong uitstap, zwermen de chauffeurs van de kleine 'wilde' bussen als aasgieren om me heen. ,,Nickerie. Nickerie.''

Een man probeert mijn tas uit mijn hand te trekken. ,,Daar staat mijn bus. Vijfentwintighonderd gulden.'' Hij gebaart in de richting van een grijs busje. Ik verstevig mijn greep om het hengsel van mijn tas.

,,Ik ga met de staatsbus.'' Ik laat mijn stem zo kordaat mogelijk klinken, om te bewijzen dat er bij mij geen twijfels bestaan. Vanuit mijn ooghoek zie ik de witte bus met oranje strepen vanuit de Rust en Vredestraat de Sophie Redmondstraat indraaien. Teleurgesteld druipen mijn belagers een voor een af.

De bus zet zich in beweging. Ik vlei me tegen de gestoffeerde stoel. Met gesloten ogen laat ik me deze onverwachte luxe op de vroege ochtend welgevallen. De airco, die in hoge stand blaast, is aan mij niet besteed, liever voel ik de wind langs mijn gezicht terwijl ik de geuren van de natuur opsnuif. Langzaam geef ik me over aan een welkome slaap.

Als ik mijn ogen open zijn we de brug over de Sarramaccarivier reeds gepasseerd. Weldadige groene velden schieten aan mijn oog voorbij. De gewassen staan in keurige rijen. Tussen het groen staan enorme combines en in de verte strooit een eenpersoons vliegtuigje zijn chemische vracht uit over het land. Ze spuiten tegen dengue. Het is niet moeilijk voor te stellen waarom Sarramacca de 'groenteschuur van Suriname' wordt genoemd.

De reis voert verder over de brug die de oevers van de Coppenamerivier verbindt, via het kokosdistrict Coronie, naar Nickerie. De gelijkenis die het vlakke landschap vertoont met de Hollandse polders is frappant. Aan de andere kant van de weg ligt Bigipang, in dit land het meer met de meeste vis. De horizon wordt op sommige plekken onderbroken door vissershutjes op palen in het water.

De bus neemt de afslag Nieuw Nickerie. Na een rit langs onafzienbare rijstvelden, stopt de bus op het marktplein. Het in koloniale stijl opgetrokken kantoor van de districtscommissaris springt direct in het oog. Als ik uitstap staat Roy me al op te wachten. De toegesnelde taxichauffers druipen weer af.

Roy en ik kennen elkaar uit Amsterdam.

,,Vandaag gaat er geen boot naar Apoera. We proberen het morgen weer'', zegt hij. En als hij de teleurstelling op mijn gezicht ziet: ,,Dit is geen Amsterdam. Hier moet je tijd hebben!'' Zijn luid hinnikende lach trekt de aandacht van de omstanders.

,,Je bedoelt dat je hier leert onthaasten'', grap ik.

Opnieuw buldert zijn lach over het marktplein.

's Avonds in het hotel waait de geur van mallation door de glazen schutters naar binnen. Vannacht hoef ik me geen zorgen te maken over muskieten.

mailIcon print |