*

 
dossier

Archief

Arme school wordt steeds allochtoner

Mohamed Rabbae − 06/11/99, 00:00

Er is een parlementair onderzoek nodig naar de manier waarop de afgelopen twintig jaar achterstanden in het onderwijs zijn bestreden. Want veel heeft dat niet geholpen. De tweedeling in het onderwijs tussen zwart en wit, én die tussen arm en rijk, is juist versterkt.

Als dinsdag de Tweede Kamer zich buigt over de onderwijsbegroting, moet ze laten meetellen dat de nood in het onderwijs hoog is. Terwijl de eisen aan het onderwijs van maatschappij, politiek en ouders zijn gestegen, zijn de uitgaven gedaald. Ondanks de reparaties van de paarse regering aan achterstallig onderhoud gaat die daling door: in 1987 gaf Nederland nog zeven procent van het bruto binnenlands product uit aan onderwijs, in 1993 nog zes procent en in 2003 nog maar zo'n vijf procent.

De onderfinanciering van het onderwijs levert acute problemen op: leraren staan onder zware druk en nieuwe leerkrachten zijn moeilijk te vinden; klassen en onderwijsachterstanden groeien; schooluitval (onder allochtone leerlingen veertig procent) en analfabetisme (een miljoen functioneel analfabeten in Nederland) zijn hoog. Het maatschappelijk draagvlak voor een reanimatie van het onderwijs is mede daardoor groot.

De meeste problemen waren al wel bekend, maar zowel om financiële als ideologische redenen is ervoor gekozen de problemen niet zelf aan te pakken maar te verplaatsen: decentralisatie en marktwerking was het motto. Sociaal-democraten, met hun vertrouwen in de gemeenten, en liberalen, met hun vertrouwen in de markt, vonden elkaar in het op afstand zetten van de landelijke overheid. Deze houding van onmacht gaat heel ver: zelfs wie het weet, mag het niet meer zeggen.

De terechte constatering dat sommige problemen in het onderwijs beter op lokaal dan op landelijk niveau kunnen worden aangepakt, ontslaat de regering niet van haar verantwoordelijkheid voor het onderwijs. Decentralisatie mag nooit dienen om de financiële en inhoudelijke onmacht van de regering te maskeren.

De combinatie 'onderfinanciering, decentralisatie en marktwerking' leidt tot een versterkte tweedeling in het onderwijs. De school met rijke ouders heeft de leukste reisjes, de mooiste computers, de meest flitsende folders en de grootste kans om door het bedrijfsleven of via een vrijwillige ouderbijdrage een extra leerkracht te laten sponsoren.

Het resultaat is dat de arme scholen nog poverder afsteken en het verschil tussen rijk en arm groeit. De arme scholen hebben bovendien op een krappe arbeidsmarkt steeds meer moeite om leerkrachten te werven en behouden. Nergens worden de klassen zo vaak naar huis gestuurd vanwege personeelsproblemen als daar.

Doordat de tegenstellingen tussen arm en rijk die tussen allochtoon en autochtoon steeds meer overlappen, krijgt de tweedeling een nog explosiever karakter. De overheid moedigt de ontwikkeling aan met haar oproep tot ondernemerschap van scholen, in plaats van haar tegen te gaan. Hermans' eerste doelstelling is immers naar eigen zeggen ,,het stimuleren van concurrentie in het onderwijs''.

Opvallend is dat de bovenstaande situatie niet voortkomt uit geldgebrek. Paars geeft haar geld liever uit aan andere dingen en doet dat ook met verve. Aan het einde van deze paarse regeringsperiode zijn we jaarlijks twaalf tot veertien miljard kwijt aan generieke lastenverlichting. Over die periode krijgt het onderwijs er in totaal slechts twee miljard bij. De kosten van de doorgeschoten hypotheekrenteaftrek zijn jaarlijks even hoog als die van het gehele basisonderwijs.

Paars II is de kampioen van de publieke armoede tegenover de private rijkdom. Van een investeringskabinet is geen sprake. De investeringen die Paars wel doet, zijn meer op het verleden gericht dan op de toekomst. Nederland geeft naar internationale maatstaven ongeveer acht miljard te weinig uit aan onderwijs. Die acht miljard is wel beschikbaar, maar dan voor de technologie van de vorige eeuw, de Betuwelijn.

In het onderwijsveld, onder onderzoekers en in de maatschappij in het algemeen bestaat grote onvrede over het onderwijsbeleid. De overheid is te weinig ambitieus, heeft geen eigen visie, weigert te interveniëren bij misstanden en geeft haar geld uit aan de verkeerde dingen. Ook het Sociaal en cultureel planbureau bevestigt het oordeel dat de overheid te weinig doet aan en een te marginale rol speelt in de bestrijding van onderwijsachterstanden.

Het is tijd voor een trendbreuk in zowel de financiering als de ideologische benadering van het onderwijs. De uitgaven voor onderwijs moeten bij de tijd worden gebracht. Binnen een periode van vier jaar moet de investeringsachterstand worden ingelopen.

Het onderwijsbeleid moet worden gericht op effectieve investeringen en gedurfde interventies tegen de tweedeling in het onderwijs. Hoewel twintig jaar ervaring is opgebouwd met onderwijsvoorrangsbeleid en onderwijsachterstandsbeleid, is er hooguit een stabilisatie van de onderwijsachterstanden bereikt. Kennelijk voldoet het bestaande instrumentarium niet.

Daarom zou de Tweede Kamer het initiatief moeten nemen tot een parlementair onderzoek naar twintig jaar bestrijding van onderwijsachterstanden. Ik denk daarbij aan vragen als: Is het onderwijsbeleid tot dusverre te vrijblijvend geweest om effectief te zijn? Is de huidige wetgeving te star om goed te reageren op nieuwe prioriteiten? Is het onderwijs voldoende toegerust om in te spelen op verschillen in culturele achtergrond van de leerlingen? Is er voldoende samenhang geweest met andere beleidsterreinen in de bestrijding van de achterstandspositie van met name minderheden?

Ik hoop dat wij met zo'n parlementair onderzoek een trendbreuk kunnen bereiken in de bestrijding van onderwijsachterstanden. Wanneer dit onverhoopt niet lukt, ben ik bang dat wij nog tientallen jaren blijven dweilen met de kraan open. Het woord is nu aan de Kamer.

mailIcon print |