*

 
dossier

Archief

Heilig

Cornelis Verhoeven − 14/12/00, 00:00

Van sommige woorden weet ik bij benadering wel waarom ze mij dierbaar zijn. Zo is 'vaderland' mij dierbaar vanwege de geschiedenis en de herinneringen aan oorlog en bevrijding, 'ootmoed' vanwege de klank en de afkomst, en 'liefhebben' vanwege de onmogelijke combinatie van bezitten en bewonderen daarin.

Van andere woorden die mij dierbaar zijn, zoals 'heilig', waar ik nu aan denk, wil ik zelfs niet weten waar ze vandaan komen. Natuurlijk is het mij niet onbekend gebleven, al is het maar uit honderd preken, dat 'heilig' te maken heeft met 'heil' en 'heel', maar dat weten stoort mij eerder dan dat het mij zou stichten. Want zo'n kennis dreigt de betekenis te herleiden tot iets anders dan waardoor het woord dierbaar is en niet te vervangen. En wat zeer dierbaar is, mag niet te herleiden zijn: het heeft geen waarom en geen herkomst. Het is er ineens en onvoorwaardelijk; niets wijst erop dat het er ooit niet geweest zou kunnen zijn of dat het uiteindelijk een product van willekeur of toeval zou zijn. Liefde maakt van toeval een noodzaak en van iets tijdelijks iets eeuwigs. Waar het heilige begint, houdt het weten op. Wie het glashelder uitlegt, begaat heiligschennis.

Heb ik het nu over het woord 'heilig' of over de dingen die ik 'heilig' noem? Dat weet ik niet, al weet ik wel dat ik er lange tijd aan heb moeten wennen bij dat woord niet allereerst aan de talloze heiligen van de roomse kalender te denken. Voor mij is Augustinus bijvoorbeeld niet meer heilig omdat hij vanwege een voorbeeldige en heldhaftige beoefening van de deugden plechtig tot de eer der altaren is verheven, maar omdat mijn bewondering voor zijn genialiteit en zijn geschriften zo groot is dat hij ook zelf daardoor in mijn ogen onschendbaar is geworden.

Wanneer iemand dus kritiek heeft op hem en hem bijvoorbeeld een vrouwenhater noemt, zal ik hem niet tegenspreken, maar over dat bezwaar heen stappen. En mijn familie en mijn kinderen zijn mij niet heilig omdat zij zo braaf zijn, maar omdat hun loutere bestaan voor mij altijd een absolute en onvervangbare betekenis heeft gehad.

Op dit punt kan zelfs het toelaten van dit woord in de betekenis die het voor mij heeft gekregen, aan fanatisme grenzen. Juist fanatici gebruiken het woord 'heilig' het meest, bij voorkeur in verbinding met 'oorlog'. Het zij zo.

In dit opzicht komt de betekenis van 'heilig' overeen met die van 'taboe'. Ook daarbij is niet zozeer een gewoon, moreel, verbod aan de orde als wel een vanzelfsprekend geworden vorm van onschendbaarheid die niet ter discussie kan worden gesteld en om die reden dan ook nauwelijks ter sprake wordt gebracht.

Wanneer we hierover gaan nadenken, kunnen we immers moeilijk de vraag vermijden, of er misschien dubieuze en aanvechtbare motieven en belangen ten grondslag liggen aan dat verbod en aan die heiligverklaring.

Voor buitenstaanders, filosofen en kritische geesten kan niets zo maar heilig zijn in die zin dat het definitief vanzelfsprekend is of dogmatisch vaststaat, zonder zich ooit aan kritiek bloot te stellen. Want kritiek zou vroeg of laat kunnen leiden tot ontmaskering. De koppigheid waarmee wij iets 'heilig' noemen en tot dogma verheffen, heeft in zich zelf een moment waarop een resoluut 'èn toch' wordt uitgesproken tegen elke mogelijke vorm van scepsis en kritiek. Die kritiek is dus ook te voorzien en onvermijdelijk. Maar de koppigheid kan steun zoeken in het gegeven dat overal waar scepsis en kritiek zijn toegestaan, ook op tolerantie gerekend kan worden.

mailIcon print |