Zo af en toe kan ik er nóg niet over uit dat ik Nederlands kan verstaan en spreken. Toen we twaalf jaar geleden hier kwamen, kenden wij uiteraard geen woord Nederlands.
Onze eerste opvang kregen we in een pension in Apeldoorn. Sommigen kenden wat Engels, maar de meesten van ons moesten zich behelpen met de internationale taal van gebaren maken: veel en nadrukkelijk knikken met het hoofd, veel glimlachen, aanwijzen en met de handen bewegen.
We waren met ongeveer tachtig Iraniërs en werden opgedeeld in een paar klassen. We begonnen in een kring met de leraar in ons midden. De meeste leraren waren jong en enthousiast. Van het voorstellen maakten ze meteen de eerste les: ,,Ik ben Gerard'', zei de eerste. Ik vergeet nooit z'n blauwe ogen, krullend haar en een beetje verlegen houding. Wij moesten om de beurt naar hem toelopen, een hand geven en onze naam zeggen. ,,Ik ben Masoeme.''
,,Dit is een kennismaking'', zei hij een aantal malen en schreef het woord op het bord. Maar het woord kennismaking vergaten wij snel. Het was veel te lang om mee te beginnen. Daarna nam hij thee, koffie en koekjes mee en leerde ons vragen: ik heb graag een kopje thee met suiker. Dat werd zoiets als: ik, Masoeme, thee.
Zo hadden we veel lol. Kleine, korte woorden gingen het best. 'Gerard' was makkelijk te onthouden; die klank betekent in het Farsi 'iets geven'. We deden veel rollenspelletjes en moesten bijvoorbeeld vragen: hoeveel kosten de tomaten? Maar dát vertikten we! Kosten verstaan wij als 'koes' en daar schamen wij ons voor. Dat woord verwijst in het Farsi naar het vrouwelijk geslachtsorgaan en dat gaan wij in het bijzijn van vreemde mannen niet gebruiken! Een vergelijkbaar probleempje herinner ik mij bij vragen als: hoeveel keer... dit of dat? 'Keer' verwijst naar het mannelijk geslachtsorgaan en dat gebruiken wij vrouwen waar mannen bij zijn ook niet. Dat legden we de leraar uit en gelukkig was er een alternatief: we mochten 'hoeveel maal...' vragen.
Een paar dagen later al moesten we woorden bij plaatjes zetten en almaar meer onthouden. Je bent volwassen, goed opgeleid en hebt veel ellende meegemaakt. Je hoofd is een rommelmarkt -zoveel spookt erin rond. Die lessen gaven steeds meer hoofdpijn thuis. Je ging je afvragen of je die niet eenvoudige taal wel ooit zou leren en werd onzeker. Klokkijken en de tijd op z'n Nederlands aanduiden is een voorbeeld van zo'n probleem. Wij weten hoe laat het is, maar mogen het niet op de Engelse manier zeggen, zoals het ook in Iran gaat.
Twintig over acht zeggen, is bijvoorbeeld uit den boze. Tot kwart over acht is het makkelijk, maar vijf minuten later werd je zenuwachtig dat je de beurt zou krijgen om te zeggen hoe laat het was. Hoe ging dat ook al weer: tien voor half negen en daarna vijf over half tien? Tegelijk de taal en klok leren kijken, was erg moeilijk. Die klok ging maar door en deed je zenuwen steeds weer toenemen. Ook getallen moest je andersom zeggen. Waarom doen ze hier toch zo moeilijk, vroeg je je soms af. Laten ze het hier leren anders te doen.
Maar die docenten wisten goed wat ze deden, waren gemotiveerd en enthousiast en vooral: ze beschikten blijkbaar over een goede methode. Op Engels reageerden ze niet: alsof je tegen een muur sprak. Maar op fout Nederlands gaven ze altijd antwoord -om ons te stimuleren. We werden aangemoedigd om dingen fout te durven zeggen -beter fout Nederlands dan goed Engels.
Van de week vroeg een meisje mij hoe laat het was. Even aarzelde ik: moest ik het op de oude of op de nieuwe, Nederlandse, manier zeggen? Ik keek haar aan en wist zonder nadenken: ,,Het is tien over half vijf!''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.