*

 
dossier

Archief

ziekenhuis

door Esther Hageman − 27/01/00, 00:00

Ralda van den Bergh (24) loopt stage bij interne geneeskunde.

Het loopt 's morgens tegen halftwaalf, en de deur van het kamertje in de polikliniek van het VU-ziekenhuis in Amsterdam waar co-assistent Ralda van den Bergh zit, zwaait tweemaal achtereen open. Eerst steekt de internist zijn hoofd om de deur. ,,Ben jij bezig met patiënt twee?'', vraagt die.

Ja, zegt Ralda. ,,Mooi, want op de gang zit er nog een. Die moet door een andere co-assistent behandeld worden'', zegt hij.

Even later komt het hoofd van de arts-assistente om de deur, net wanneer Ralda bezig is de hartslag van haar patiënte te meten. ,,Hoever ben je?'', vraagt zij. ,,Bijna'', zegt Ralda vanachter het gordijn. De hartslag is in rust 92 - dat is nogal hoog.

Ralda's werkdag begon vanmorgen om kwart over acht. Pas vannacht om een uur is-ie afgelopen. Heeft ze geluk en zijn er vannacht niet te veel spoedgevallen - op zich vaak juist heel interessant - dan kan ze slapen. Ze overnacht in het ziekenhuis, want ook morgen begint de werkdag om kwart over acht.

Ralda is bezig aan haar tiende week (van in totaal elf) als co-assistent bij de internisten van de VU, en zit nu vier weken bij de polikliniek. Drie weken loop je er mee met een arts-assistent (een arts die bezig is zich te specialiseren), de vierde week met een volleerde internist. Interne geneeskunde is een van de drie 'grote' co-assistentschappen waar de praktijkjaren van een vijfdejaars medicijnen altijd mee beginnen. Neurologie en chirurgie zijn de twee andere.

Ralda was zo onderhand weleens toe aan de praktijk. ,,Ik was het zo beu, vier jaar alleen maar theorie. Alleen in je eerste jaar heb je een verpleeghulpstage. Na die tijd kom je alleen in groepjes aan iemands bed. Dan mag je hooguit naar een hart ruisje luisteren. Nu begin je je echt een beetje dokter te voelen, je draait mee. Nee, ik kick niet zo op die witte jas. Zo'n eigen kamertje draagt bij mij meer bij aan het gevoel van 'ik word dokter'.''

Ralda's patiënt van dit moment, de tweede van vanmorgen, is een mevrouw bij wie vermoedelijk iets aan de schildklier mankeert. Die werkt te hard. Daar is ze een paar jaar geleden al eens voor behandeld en het leek over, maar een maand geleden kwamen de klachten terug: duizeligheid, een hevig kloppend hart, warmte-aanvallen, en zelfs is ze even buiten westen geweest.

Ralda is al bijna een uur bezig de mevrouw het hemd van het lijf te vragen - niet alleen over haar klachten van het moment, maar ook (,,Dan heb ik nu nog een paar andere vragen'') over alles waar je verder maar last van zou kunnen hebben: de gewrichten, de rug, de anticonceptie, of de mevrouw rookt, vaak dorst heeft, neusbloedingen, spierpijn, of er ook iets is met de haargroei, of ze vaak drop eet, hoeveel koffie ze drinkt. Wat de mevrouw antwoordt komt in telegramstijl op een formulier van vele pagina's te staan. Als de mevrouw bijvoorbeeld vertelt dat ze bij inspanning buiten adem raakt, 's avonds in bed een beetje last heeft van ademnood en altijd al wat slijmerig is, dan schrijft Ralda op: ,,dyspnoe + d'effort bij zware insp., sputum + bruin/groen, piepende ah+ 's avonds in bed tegelijk met palp.''

De mevrouw mag zich weer aankleden, zegt Ralda. Ze haalt nog even koffie voor haar en haar echtgenoot. Dan verdwijnt ze zelf voor een paar minuten een kamertje aan de overkant van de gang. Daar zit de arts-assistente klaar om te horen wat Ralda bij de mevrouw heeft aangetroffen.

Dat gesprek heeft een aanzienlijk hoger tempo. Het gaat heen en weer als een pingpongspel. Ralda vertelt in hoofdlijnen welke verschijnselen de mevrouw heeft. De arts-assistente stelt nog wat vragen. Heeft ze last van warmte? Ja. Ook haaruitval? Nee. Hartslag? 92 regulair. Ziet ze er euthyreood of hyperthyreood uit? Moeilijk te zeggen. Is er destijds een schildklierscan gedaan? Ze zegt van niet.

Dat laatste controleren ze met z'n tweëen in het computerarchief. Onderwijl vraagt de arts-assistente: wat gaan we nu doen?

- Nog eens TSH en T4 prikken en een scan doen, zegt Ralda.

- Een scan? Dat weet ik niet hoor, zegt de arts-assistent terug. De computer meldt intussen dat de mevrouw een paar jaar geleden - anders dan die zich herinnert - toch een scan gehad heeft.

Samen gaan ze terug naar de patiënte. Nu voert de arts-assistente het gesprek. Die vat beknopt samen wat Ralda haar over de klachten van de mevrouw zei, vertelt dat er een paar jaar geleden toch een scan is gedaan (,,O, toch? Ja, ik weet dat niet meer precies'', zegt de mevrouw), herhaalt snel het lichamelijk onderzoek, en zegt dan: ,,U kunt zich aankleden. Ik ga even met de chef overleggen of we weer een scan gaan doen of dat we met medicatie doorgaan.''

Weer in haar eigen kamer, belt de arts-assistent de internist. ,,Die scan herhalen heeft niet echt zin, toch? (...) Toch wel? (...) Ja. (...) Dan laat ik haar over vijf weken terugkomen en kijken we dan weer. Ja. Goed.''

,,We gaan eerst de hormoonspiegel normaliseren, en dan met jodium behandelen omdat het recidief is'', zegt de arts-assistent tegen Ralda terwijl ze weer oversteken naar Ralda's kamer. En dat vertellen ze de patiënte. ,,Wat houdt dat in?'', wil die weten. De arts-assistente legt uit dat jodium de schildklier wat minder actief maakt. Heeft u nog genoeg pillen voor vijf weken? Want dan gaan we verder kijken, of er misschien alsnog een scan nodig is.''

Ze schrijft nog even een receptje uit en verdwijnt dan, met een uitwaseming van drukte, het kamertje uit. Ralda loopt mee met het echtpaar naar het afsprakenbureau aan het eind van de gang en blijft erbij tot ze ook daar klaar zijn.

,,Het mooiste voor de co-assistent'', zegt Ralda later, ,,is als je een mooi, rond, volledig verhaal aan de arts-assistent kunt vertellen. Dat er bijna geen vragen meer te stellen zijn. Alleen, zo gaat het zelden. Of dat is omdat een patiënt nou een keer meer vertelt aan een echte dokter, of omdat jij de eerste bent die iets vraagt en de patiënt zich even later nog meer herinnert, dat weet ik niet. Het kan allebei wezen. Maar soms is het frustrerend dat de patiënt tegen jou iets anders zegt dan tegen de arts.''

Tijdgebrek is ook zo'n frustratie. Bij interne geneeskunde is dat nog het minst het geval, als je het vergelijkt met andere specialismen. ,,Hier wordt nog het meest naar de hele persoon gekeken'', zegt Ralda. Nu, als co-assistent, heb je ook nog wel de tijd - jouw gesprek met de patiënt scheelt de arts-assistent veel tijd. ,,Straks heb je maar een kwartier per patiënt. Dus dan word je vanzelf meer klachtgericht. Terwijl ik me nog zo had voorgenomen dat ik niet zo'n dokter zou worden, dat ik 'heel de mens' zou blijven zien. Je moet uitkijken dat je mensen niet gaat zien als geval.''

mailIcon print |