*

 
dossier

Archief

Seizoen in de hel geeft Oosterhuis een taal over God

Lodewijk Dros − 22/01/00, 00:00

Poëzie als tegenwicht tegen 'vrije markt-, oorlogs-, voetbaltaal'. Dichter zijn om alle 'onderdrukten en vermoorden een voortbestaan in de taal te geven': in woord en lied schuwt priester-dichter Huub Oosterhuis zware taal niet. De Raad van kerken eerde hem gisteren met de jaarlijkse Oecumeneprijs. In veertig jaar maakte hij honderden liederen. Zij klinken over kerkmuren heen. Voor velen zijn ze te vaag en horizontaal en nog weer anderen verguizen de man die het 'godshuis maakte tot een oosterhuis'.

Zegt de dominee: 'Spreek jij het verlossende woord'. Zegt de pastoor: 'Laat ons oosterhuizen'.

De dominee was ik, de pastoor die van de naburige parochie, samen aan tafel ter voorbereiding van een gezamenlijke viering. Alles liep soepel totdat de liederenkeus de boel ophield. Wat de een vertrouwd in de oren klonk, kende de ander niet en vice cersa. 'Oosterhuis' bleek de gouden greep.

Zegt de pastor: 'En een tafelgebed?'

Zegt de dominee: 'Doe ook maar een Huub.'

Paap en ketter zongen de volgende zondag eendrachtig. Plaatselijke oecumene, met dank aan Huub Oosterhuis.

Het was ook een lokale raad van kerken die de suggestie deed hem daarvoor te eren. Gisteren reikte de Nederlandse Raad van kerken hem voor zijn bijdrage aan de oecumene de Vlam van de Geest uit, een kunstwerkje in vlamvorm. Voordat Oosterhuis het in ontvangst nam, hield hij een lezing met de protestants aandoende titel 'De genade van het woord'.

Voor het eerst is de 'Vlam' naar een Nederlander gegaan. Voor het eerst ook draagt zij het karakter van een onderscheiding. ,,Voor één keer.'' aldus Ineke Bakker, secretaris van de Raad, ,,als erkenning voor de verdiensten die Huub Oosterhuis voor de oecumenische liturgische traditie heeft gehad. Nu hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, vonden we het gepast hem in het zonnetje te zetten. Het is geen prijs, maar eer- en dankbetoon aan iemand wiens liederen in rooms- en oudkatholieke en allerlei protestantse kerken worden gezongen.''

Onmiskenbaar is de Amsterdamse dichter begiftigd met de gave van het woord. Al sinds de vroege jaren zestig publiceert hij vrije poezie. Kort daarna ('ik was toch dichter') begon hij met het schrijven van religieuze 'liedjes-met-iets-van-de-bijbel-erin' om jongens van een jezuïeten-internaat iets verteerbaars te kunnen laten zingen: tot die tijd was er ,,gehannes met wierook, Latijnse gezangen - met lange tanden bromden ze mee.''

Zijn werk zou veel gaan betekenen voor de liturgie in de volkstaal, waartoe het Tweede Vaticaans Concilie de deur geopend had. De doorwerking was echter veel groter. In allerlei kerkelijke kringen vonden zijn godsdienstige liederen, gebeden en poëzie gehoor en stem. Daaraan ontleent Oosterhuis de titel van zijn toespraak: niet een aangeboren taalvermogen, maar ,,dat een ander zich bedienen kan van de woorden die jij hebt gevonden, geordend en geladen, dat noem ik de genade van het woord.''

De onderscheiding voor Oosterhuis is een tussenstand; hij gaat gewoon door, pensioengerechtigd of niet. Een deel van de honderden liturgische teksten houdt het nog jaren vol, meent Ineke Bakker, ,,zijn poëtische verwoording van het onzegbare blijft ook in deze eeuw aanspreken.''

In behoudende protestantse en rooms-katholieke kringen is men daar niet zo van overtuigd. In evangelische kringen 'doen' een paar liederen het wel, maar men zingt er liever iets anders, eenvoudiger, minder literair, en zeker niet jij als het over God gaat. Mevrouw dr. N. Stienstra van het 'Contact Rooms-katholieken' is ronduit afwijzend. ,,De horizontale vaagheid van de heer Oosterhuis heeft zijn langste tijd wel gehad. Een bijdrage aan de oecumene, zegt u? Men heeft van een bedehuis een oosterhuis gemaakt.''

Dat laatste is onbedoeld te veel eer, maar over het algemeen deelt men in de breedte van de Nederlandse kerk het enthousiasme van Ineke Bakker wel. Hij wordt gezongen van 'Rome tot Dordt'. Het tekent Oosterhuis' positie: een buitenkerkelijk priester wiens werk welhaast canoniek is in de meeste Nederlandse kerken.

Het verging zijn teksten, zoals het hemzelf is vergaan: voorbij de kerkmuren. Van rooms-katholiek werd hij katholiek. Zijn pleidooi in 1969 voor afschaffing van de celibaatsverplichting voor priesters leidde tot een conflict met Rome, zijn huwelijk veroorzaakte een breuk. Als priester ontslagen werd hij bepaald geen kerkelijk dakloze. De Amsterdamse studentenekklesia bleef zijn thuis.

Ook elders liet hij zijn sporen na, organisatietalent parend aan een zeker charisma. Op het snijpunt van religie, cultuur en politiek - constanten in zijn werk - zette hij eerst de Populier op, voorloper van De Balie, later De Rode Hoed, nauw verbonden met de ekklesia. Zijn liefde voor poëzie 'vertaalde' hij in het project 'Poëzie Hardop' en de 'VSB-Poëzie prijs'.

Oosterhuis mag dan de poëzie de kerk in gebracht hebben, zijn eigen gedichten lijken nauwelijks verder te komen dan de kerkmuren waar hij zo enthousiast overheen kijkt. Niet alleen zijn religieuze poëzie, ook zijn vrije werk kan in literair Nederland op weinig erkenning bogen. Zijn dichterlijk oeuvre, toch bepaald geen evangelie-op-rijm, kleeft waarschijnlijk het odium 'geestelijk' aan, voor de literaire kritiek niet direct een aanbeveling - een ervaring waarover collegae als Willem Barnard kunnen meepraten.

Van vroeger werk waar 'heiland', 'Christus' en 'God, almachtige Vader' nog onbekommerd voorkomen, neemt Oosterhuis nu afstand. Gisteren werd nog eens duidelijk waarom. Het zijn begrippen die horen bij de door Nietzsche doodverklaarde God, waarmee Oosterhuis zijn lezing opende: Het christelijke Opperwezen, een grimmige moralist, een bestierende, ondoorgrondelijke God, een straffe Rechter. Dat is niet de God van het bijbelse verhaal, meent Oosterhuis, en dus werd de Almachtige 'zo vriendelijk en veilig als het licht', Jezus een 'broeder' en verlossing 'bevrijding'.

Deze ontwikkeling hangt niet alleen samen met de veranderingen binnen de kerken, waarvan Oosterhuis trouwens een van de aanjagers is geweest. In de Oecumene-lezing schetst hij nog eens de ingrijpende invloed die de twintigste eeuw als leef-tijd op hem heeft, het 'seizoen in de hel' met zijn massavernietiging zonder weerga. Oosterhuis haalt hier George Steiner aan, die dat tijdperk als epiloog betitelt, tijd voorbij taal die besmeurd is geraakt en dus onbruikbaar. Einde van zinsverband en gemeenschap.

Oosterhuis zocht een uitweg en moest, dichter als hij was (een 'mysterieuze, ja zelfs eeuwigdurende wijding'), op zoek naar nieuwe, zinnige taal die niet overmeesterd is door de verschrikkingen van Auschwitz tot Goelag Archipel. Ook voor God, die steeds weer wordt 'ingesponnen in misverstanden en praatjes'. Dichters moeten proberen 'alle vereenzaamden, onderdrukten en vermoorden een voortbestaan in de taal te geven'. Het resultaat, het woord als reddingsoperatie, roept echter wel vragen op. Is hij niet bijna naïef optimistisch als hij schoonheid als wapen tegen het kwaad in stelling brengt? En zijn de gedichten die Oosterhuis zo aanspreken - binnen en buiten de bijbel - en niet te vergeten: zijn eigen werk wel zo onbezoedeld als hij suggereert?

Aan zijn internationale uitstraling heeft de Raad van Kerken bij het toekennen van de Vlam niet zo gedacht, aldus Bakker. Die is er echter wel degelijk, ook buiten het Nederlandse taalgebied. Boeken van hem verschenen zelfs in het Japans. Vooral in Duitsland heeft zijn werk ingang gevonden. Duitse theologiestudenten die zich hier verder komen bekwamen vragen steevast naar Osterhois.

Al in 1983 beweerde iemand in Trouw dat 'Oosterhuis' werking op kerk en geloof in Nederland en daarbuiten indringender is - en dus bedreigender - dan die van Schillebeeckx of Küng. De invloed van het werk van Oosterhuis verdient nog eens goed onderzocht te worden. Het kan toch niet anders of het jarenlange zingen, zeggen en bidden van Oosterhuis' 'ontspannen orthodoxie' (Van Kilsdonk) heeft het zware van de dogmatiek veranderd. Mij lijkt overigens het etiket 'geladen vrijzinnigheid' evenzeer op zijn plaats.'

Naar verwachting worden Oosterhuis' liturgische teksten nog decennia lang gezegd en gezongen, omdat het eerst en vooral teksten van de twintigste eeuw zijn, getekend door het 'seizoen in de hel'. Oosterhuis bezigt geen taal alsof er niets gebeurd is, en dat heeft hij voor op veel anderen, rijp en groen. De genade van het woord, zei hij gisteren, is vooral: ,,dat er nog woorden zijn, dat er nog taalgemeenschap is: dat het grote bijbelse verhaal, dat de tekst nog bestaat, én de traditie van uitleg en doorléving, van leerhuis en viering, na alle grote branden van zoveel eeuwen.''

,,En het geschiedde dat ik dacht en dat het was alsof die afgedaalde, mensensturende (God), mij aanraakte in de woorden die ik sprak, mij beetpakte en vasthield, zoals ik, toen zij voor het eerst probeerden te staan, mijn kinderen vasthield. En ik kon niet meer zwijgen en wilde niet, en wist van ophouden niet, en stortte mijn hart uit, voor het aangezicht van heel die familie: stond aan hun lippen, knielde in hun armen - en in ons stonden op grote menigten onbekenden van eeuwen her en wij zongen: Waar vriendschap is en liefde, daar is God.''

De geciteerde slotalinea van Oosterhuis' lezing, een wat geëxalteerd voorschot op de lof die hem gistermiddag werd toegezwaaid, is kenmerkend voor meer Oosterhuis-teksten; je moet ze horen. Wat vooral zo moet blijven: de viva vox, Huub Oosterhuis live. Want die stem, die stem.

mailIcon print |