*

 
dossier

Archief

Reuzenbollen in de tuin

RITA VAN DER ZALM − 22/01/00, 00:00

Mijn laatste amaryllis (hippeastrum) droeg veertien kleine donkerrode bloemen, een hele prestatie voor zo'n 'Calimero'. Hoewel 'Baby Star' in december ook geen gek figuur sloeg met zestien heel kleine lichtrode bloemen met een wit kruis in het hart.

Zulke royale bloeiers verdienen het om te worden overgehouden, dus verhuizen ze met pot en al naar de warme kas of het schaftlokaal waar de bebladerde potten geen sta-in-de-weg zijn. Alleen de uitgebloeide bloemen worden afgebroken, steel en blad blijven onaangeroerd. Nu begint een periode van geregeld water geven, mesten en bladeren tellen want elk bladpaar is goed voor een bloem. Steel en blad worden omgezet in bollenvlees, hoe meer blad, hoe dikker de bol, hoe meer bloemen. Vanaf september wordt minder water gegeven zodat de plant kan afsterven. Dan pas wordt het blad afgeknipt, waarna de bol nog een paar weken droog en warm blijft rusten voor hij weer wordt opgepot in gewone potgrond.

Bij lezingen is dit een heikel onderwerp. De halve zaal zit schuldig te kijken, enerzijds omdat men mes en schaar al klaar had liggen toen de laatste bloem in schoonheid stierf, anderzijds omdat men al het hele bollenvak aan de schandpaal had genageld daar de amaryllis de tweede keer niet bloeide.

Zelden wordt een bol zo gemaltraiteerd als de amaryllis. Men plant op te kleine potten, geeft bemeste tuinaarde waarin de wortels verbranden, of geeft al water voor de wortels zich ontwikkeld hebben en er een bloemknop is te zien. De natte dus koude bol met daardoor dikwijls kwalijk riekende wortels gaat in staking, het verschil met zijn zonnige Afrikaanse geboorteland is te groot.

Zuid-Afrika is ook de geboorteplaats van crinum, een lid van de amaryllisfamilie, die wel 130 leden telt verspreid over Zuid-Amerika, India, Zuidoost-Azië en Australië. De hybride Crinum powellii (C. bulbispermum x C. moorei) is voor de Nederlandse tuin het interessantst omdat hij goed afgedekt vorst verdraagt. De vanouds bekende kuipplant krijgt tussen juli en oktober een dikke vlezige bloemsteel van zo'n 90-120cm die tien of meer zoetgeurende trompetvormige bloemen geeft. Ze bloeien langdurig na elkaar. Ook zijn bijnamen Bengaalse Lelie, Kaap- of Haaklelie en Melk-en-Wijnlelie klinken aantrekkelijk genoeg om dit voorjaar eens naar de geweldig grote flesvormige bollen uit te zien. Bolmaat 22 (omtrek in cm) is bloeibaar maar maat 30 en groter is geen uitzondering op bollenkramen.

Vanaf mei kan de bol in de dan al opgewarmde grond geplant worden, in kuipen eerder. Gewoonlijk verdwijnt de bol voor tweederde in de grond. Klei en humus zijn gewenst maar vooral een zonnige standplaats in borders, tegen muren of hagen. Geef 'szomers veel water en laat ze voor een rijke bloei vooral vast staan, verpot kuipplanten alleen als het nodig is. Een dikke laag oude koemest in de winter zorgt voor dekking en voeding. Houd rekening met de grote bladermassa van crinum. Zet er omvangrijke planten naast die tegenwicht geven zoals agapanthus of de uit Engelse tuinen bekende Grote Wolfsmelk (Euphorbia characias wulfenii) die allemaal tegelijk afgedekt kunnen worden. Ook siergrassen, bergamotplant zoals Monarda 'Mahogany' en Filipendula camschatica kunnen crinum aan. Eupatorium purpureum ssp. maculatum 'Riesenscherm' met 250cm hoge wijnrode schermen in de nazomer lijkt me geweldig in het binnenland. Mijn crinum staat tegen een schutting begroeid met lichtblauwe lathyrus.

mailIcon print |