Tegen het heelal is niks bestand en om daar tegen te kunnen moet je er óf consequent óf niet al te vaak aan denken. Gisteren lukte me dat even niet.
Nieuwsgierig zat ik wat te zappen langs zenders die op dit partje van de aardkloot de tijd volbabbelen. Te midden van spelletjes en de in een hoge drukpan verhitte levensverhalen die soap heten, landde ik onverwacht en onbedoeld op de planeet Jupiter. In beeld: eindeloze gasontploffingen, wervelwinden die al eeuwen woedden, 10 procent helium, de aarde kon er 3300 keer in, twee jaar onderweg ernaartoe, 350 miljoen jaar geleden. Alles draaide om de grote, onbevattelijke getallen, die of het niks kostte werden uitgesproken door een kalme, overzichtelijke vrouw in een studio. Opeens brak het klamme zweet me uit. En het leven op aarde dan? En ik? Ik zapte weg; 'ücalan nog niet opgehangen', 'Russen halen lijken soldaten op'. Het hielp niet, integendeel. ücalan en de soldaten vervlogen reddeloos in de kosmos. En Einstein, Rembrandt en Odysseus, de hele menselijke literatuur en beschaving erbij. Zelfs de dinosauriërs, ook haast kosmisch maar toch nog tastbaar, bezweken. Geen christendom, geen boeddhisme, geen filosofische relativering opgewassen tegen dit aloude maar toch telkens weer zo letterlijk adembenemende besef dat alles tenslotte ruimte is: wat pulserende gassen en immens hete explosies. Ook de krant, anders nog wel eens een balsem, heelde niets. Moest ik mij troosten met Zalms belastingverlaging, met de vakantie die ik juist een beetje had zitten uitstippelen? Ik keek uit het raam, mooi weer, blauwe lucht, maar ik voelde me alleen in het donker. 'Groot, zwart en grondeloos, vanwaaruit een gestage / Nacht op de wereld straalt in altijd voller volte,' schreef (in de vertaling van Paul Claes) de Franse dichter Gérard de Nerval en werd gek. Nerval, ook verdwenen. Ik liep naar de boekenkast en trok er, zoals mijn vrome voorouders vroeger de bijbel ergens lieten openvallen om ervan te leren, zomaar een dichtbundel tevoorschijn, Jan Emmens: ''k zocht in geen boomstronk ooit naar een kabouter, / maar keek gewoon naar wat er werkelijk was'. Het hielp een beetje en langzaam herleefde ik, was Pinochet domweg een aftakelend monster en waren Kohl en Weizmann twee onnozele halzen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.