*

 
dossier

Archief

Zwammen in de winter

HENK VAN HALM − 09/12/00, 00:00

De echte paddestoelentijd is voorbij. De meeste hoedpaddestoelen zijn in de loop van november vergaan. Toch blijven nog veel zwammen over, die zich van de winter weinig aantrekken. Op een gewone zondagmiddagwandeling tel ik in het wijkpark zo tien soorten en dan kijk ik niet eens zorgvuldig.

De eerste fluweelpootjes, echte winterpaddestoeltjes, zijn verschenen. Hun goudgeel gekleurde hoeden glimmen ook bij droog weer alsof het geregend heeft. Ze heten fluweelpootjes omdat hun stelen donkerbruin gekleurd zijn. Zelfs bij vorst houden ze stand. Ik heb wel fluweelpootjes gezien met ijs op de hoed. Na de dooi stonden ze erbij alsof er niets gebeurd was.

Fluweelpootjes kunnen verwisseld worden met stobbezwammetjes, omdat die ook in dichte bundels groeien op stronken die na het vellen van bomen in de grond zijn blijven zitten. De hoeden glimmen nauwelijks en zijn meer oranjebruin met een lichter centrum. De stelen hebben ongeveer dezelfde kleur als de hoed, met lichter getinte vlokjes en een bruine ring. Stobbezwammetjes zijn eetbaar, maar ik vind gekweekte champignons lekkerder.

Wat we van zwammen zien, zijn doorgaans alleen de vruchtlichamen. De zwam zelf is een schimmel, die in het verborgene leeft. Die schimmel wordt mycelium of zwamvlok genoemd. Kort na de ontkieming van een spore vormt zich een vlokkig samenstel van schimmeldraden, dat pas in staat is vruchtlichamen voort te brengen als de schimmeldraden fuseren met de schimmeldraden van een andere zwamvlok van dezelfde soort.

Zo'n mycelium kan ongelooflijk groot worden. Zo is onlangs in een Noord-Amerikaans woud een zwamvlok gevonden van een honingzwam, die 880 hectare beslaat. De vaststelling dat de zwamvlok in het hele gebied uit één organisme bestaat, konden de wetenschappers doen door het DNA van de schimmeldraden te onderzoeken.

De leeftijd van die zwam wordt geschat op 2400 jaar. Theoretisch heeft de zwam het eeuwige leven. Zolang er bomen zijn waarop deze zwam kan parasiteren, zal de zwamvlok overleven. Honingzwammen zijn voor hun voedsel niet alleen maar afhankelijk van bomen. Ze kunnen evengoed kruidachtige planten aantasten. Ze produceren taaie myceliumstrengen (rhizomorfen), die eruitzien als zwarte veters. Die veters vormen een netwerk onder de schors van aangetaste bomen en kunnen zich bovendien meters ver in de grond uitstrekken. Zo kan een zwamvlok van een agressieve honingzwamsoort - er bestaan ook honingzwammen die niet kwaadaardig zijn - de ene boom na de andere infecteren.

Afvalopruimers

Fluweelpootje en stobbezwammetje zijn geen parasieten, maar net als de meeste andere zwammen saprotrofe schimmels, wat betekent dat ze leven van dood organisch materiaal. Saprotrofe schimmels nemen het leeuwendeel van de afbraak van organische afvalstoffen voor hun rekening. Ze recyclen takken, dorre bladeren en dood hout. Ze zijn in staat houtstof (lignine) en cellulose om te zetten in stoffen die zij zelf als voedsel kunnen gebruiken. Er zijn maar weinig organismen die dat ook kunnen. Als er geen schimmels zouden zijn, zou de natuur omkomen in haar eigen vuilnis.

De eetbare gewone oesterzwam leeft ook van dood hout. Het is een grote grijze hoedpaddestoel met witte lamellen, die met een zijdelingse steel uit het hout komt. Oesterzwammen vind je het meest als het echt gaat winteren. De schimmel voedt zich niet alleen met hout, maar scheidt tevens een gif uit waarmee aaltjes worden gedood. De schimmeldraden doorwoekeren de lijken van deze microscopische wormpjes.

Op bijna vermolmde loofhoutstronken groeit de gewone geweizwam. Een gemakkelijk herkenbaar zwammetje, meestal als een hertengewei vertakt, het onderste gedeelte zwart en harig, de bovenhelft wit door rijpe sporen.

Er bestaan verschillende soorten geweizwammen, zoals het beukendopzwammetje, dat je in het voorjaar vindt op de overblijfselen van beukennootjes. Een zeldzame geweizwam groeit uitsluitend op oude afgevallen meidoornbessen.

Parasieten

Uit het zaagvlak van een omgezaagde populier komen grote bleekbeige vlokkige hoeden aan dikke kromme stelen. De wollige popelzwam verschijnt meestal pas als de populier, waarin hij woekert, is geveld. Een omgezaagde boom is niet meteen dood. De stam bevat nog veel levende cellen, waarop deze boomparasiet nog een tijdje voort kan. Pas als het hout begint uit te drogen, vormt de popelzwam voortplantingsorganen, dus paddestoelen, meestal op het vlak waar de boom is omgezaagd.

Veel parasitaire zwammen doden uiteindelijk de boom waarop ze klaplopen. Dat doet bijvoorbeeld de berkenzwam, die als parasiet zwakke berken doodt en dan verder groeit als saprofiet, totdat het hout bleekbruin wordt en verpulvert. Ook de platte tonderzwam is zo'n boomparasiet, die later van het dode hout leeft. Vaak beperkt de platte tonderzwam zijn activiteiten bij de levende boom tot dode delen van de stam en kan de boom nog jaren voortleven zonder daar merkbare schade van te ondervinden.

Tonderzwammen vind je het hele jaar door, want de hoeden gaan jarenlang mee. Elke herfst komt er een rand bij, zodat je door de jaarringen te tellen kunt vaststellen hoe oud zo'n hoed is. Op het oudste gedeelte van de hoed zijn de jaarringen minder duidelijk, omdat dit meestal dik bestoven is met kaneelkleurige sporen.

Plant en paddestoel

Paddestoelen die afhankelijk zijn van een beperkt aantal plantensoorten, hechten hun lot aan dat van die planten. Als die door welke oorzaak ook in een bepaald gebied uitsterven, zal de zwam mee verdwijnen. Alleen een zwam die van veel walletjes eet, kan een enorme omvang bereiken. Daarbij doet het er weinig toe of het gebied, waar die zwam groeit, later wordt versnipperd door wegen- en woningbouw. Elk afgesneden deel van de zwam kan onafhankelijk verder groeien. Dat kan betekenen dat de anijschampignons in onze tuin van dezelfde zwam kunnen zijn als die ene anijschampignon die ik nog in het park tegenkwam, driehonderd meter verderop.

mailIcon print |