In Pir Mashaq, een drijvend dorp in het Pakistaanse Manchar-meer, leven zo'n honderd families op dertig boten. De Mohana's, een kaste van vissers, zien het water waarvan zij leven met dag vervuilen door kunstmest en pesticiden. De overheid hád hun woonomgeving kunnen redden. Maar koos voor een nieuw vliegveld.
Allah Dino Mallah heeft een vrouw, twee dochters en vier zonen. De dochters zijn getrouwd en uit huis. Dat gaf geen verlichting, vertelt hij: twee zoons hebben inmiddels een vrouw, en die woont volgens de traditie in.
De jongens hebben nog geen kinderen, maar drie echtparen en twee kinderen op één boot, dat lijkt al druk genoeg. De familie woont op een hooro, een rechthoekig gevaarte van nog geen drie bij zes meter. Bewerkte palen en rieten matten vormen de muren en het dak. De keuken is een gietijzeren kom met kooltjes in de hoek. Kussens zijn stoelen, en met de stapel dekens op het achterdek kan de boot in enkele minuten tot een slaapzaal worden omgebouwd.
In de hoek staat een kleine kist: Allah Dino verdient bij als kruidenier. Hij is het hoofd van Pir Mashaq, een drijvend dorp in Manchar Lake, een meer in het dal van de Indus in het zuiden van Pakistan. Het dorp telt dertig boten. Daarop leven zo'n honderd families: Mohana's, een kaste van vissers. Ze behoren tot de allerarmsten in Pakistan.
Pir Mashaq biedt bij de nadering over het spiegelgladde water een schilderachterige aanblik. Achter de boten verbergt het riet de oever. Daarboven kleuren de verre heuvels geel-oranje in de namiddagzon. Slechts nu en dan doorbreekt een langegerekte kreet van een visser in de verte de stilte.
Eenmaal aan boord is de romantiek snel over. De boot is vochtig en stinkt. We zijn vaak ziek, zegt het dorpshoofd - het laat zich raden. Malaria, keelonsteking en diarree zijn voor de dorpelingen nog het minste probleem: de visvangsten zijn teruggelopen. Manchar Lake is ernstig vervuild, het meer is stervend. Voor de Mohana's is er geen uitweg, de visserskaste sterft ook uit.
De Mohana's zijn volledig afhankelijk van het meer, vertelt Shakil Ghori, een Pakistaanse adviseur in Karachi, die de leefsituatie van de vissers dit voorjaar inventariseerde. Ze doen alles op het water. Ze worden er geboren, ze leven ervan, ze trouwen en krijgen weer kinderen. Alleen voor de dood gaan de Mohana's het land op: hun doden begraven ze op de oever of op een van de eilanden in het midden van het meer.
Hij vangt nog maar hoogst zelden een chelary, zegt Allah Dino op de boot. Dat is een vis van 1,5 tot 2 kilo. Tegenwoordig zitten er vooral dayo's in de netten, die wegen ruim een ons, áls hij al wat vangt. Er zijn dagen dat hij met lege handen terugkeert. Vroeger was een dagopbrengst van vijftien kilo heel gewoon.
Manchar Lake groeide en kromp altijd met de seizoenen. Op zijn kleinst mat het nog geen tachtig vierkante kilometer. Na de regentijd was het minstens drie keer zo groot. Het meer stond via drie kanalen in verbinding met de Indus, vertelt Naseer Memon, hoogleraar aan de Mehran Universiteit in Hyderabad. Tijdens het regenseizoen, als de rivier aanzwol, liep het water over. Ook de regen op de Khirthar heuvels in het oosten, aan de rand van de woestijn van Baluchistan, vloeide er naartoe.
De eerste bron viel weg door de bouw van irrigatiedammen zoals die bij Sukkur, stroomopwaarts, zegt Memon. Het water in de Indus staat tegenwoordig veel te laag. En de regen was altijd al onbetrouwbaar. Zo vaak regent het niet in de heuvels. Maar er kwam een nieuwe bron, de oorzaak van alle ellende. Het water dat zich achter de irrigatiedammen ophoopt, vindt zijn weg over het land weerszijde van de Indus. Via kanalen die zich vertakken, bereikt het het onvruchtbare land. Wat overblijft, verzamelt zich weer, van greppels tot sloten en kanalen, en bereikt op de westelijke oever uiteindelijk de Main Nara Valley-drain, een afvoerkanaal dat uitmondt in het meer.
Eenmaal daar is het flink vervuild. De boeren maken overvloedig gebruik van kunstmest en pesticiden. Fabrieken lozen op het kanaal. Memon laat zijn studenten Manchar Lake elk jaar controleren. De concentratie minerale zouten, een maat voor de vervuiling, gaat steeds sneller omhoog. De effecten zijn onderweg naar Pir Mashaq met het blote oog te zien. In het midden van het meer oogt het water hier en daar nog helder, maar dichterbij de oevers is het troebel. Mosgroene klonten algen drijven in het rond.
Achter het riet is de oever kaal en zanderig. Het water uit het meer heeft de grond verzild. Waar eens tarwe werd verbouwd, wil nu bijna niks meer groeien. De boeren wonen in kleine dorpen van kubusvormige huizen, opgetrokken uit klei, her en der langs de oever. Ze verdienen wat bij met matvlechten. Peesh, het riet dat zij daarvoor gebruiken, is nog steeds overvloedig aanwezig.
De gemeenschap van Manchar Lake, land- en waterbewoners samen, telt ongeveer 100 000 mensen. Zij leven in de Middeleeuwse omstandigheden die het platteland van de provincie Sindh in het zuiden van Pakistan typeren. Armoede is troef, de ongeletterdheid is groot, een elementaire voorziening als gezondheidszorg is nagenoeg afwezig. In Manchar Lake en omgeving is geen ziekenhuis. Er zijn welgeteld drie medische klinieken met evenzoveel dokters en een handjevol verpleegsters.
Twee op de drie dorpen op en rond het meer hebben een soort onderwijsvoorziening, becijferde Shakil Ghori. Maar driekwart van de jongens en 85 procent van de meisjes tussen vijf en vijftien jaar gaat niet naar school. Omdat de ouders willen dat de kinderen meeverdienen, omdat ze - de rest is gratis - zelfs het schamele lesmateriaal niet kunnen betalen of omdat - in het geval van de meisjes - er nauwelijks leraressen zijn. De moslimbevolking is uiterst conservatief: een vrouw uit het eigen dorp is eigenlijk het enige dat de ouders voor hun dochters accepteren. Munirahmed (5), de jongste van de zes kinderen van Allah Dino, is de eerste uit de familie die, sinds een jaar, naar school gaat.
Het basisprobleem voor de boeren en vissers van Manchar Lake is echter, zoals overal in Sindh, de wurggreep van de armoede. Ze komen niet rond, en lenen daarom bij de handelaren aan wie zij hun producten verkopen. Die eisen als tegenprestatie dat zij de volgende keer opnieuw de afnemer zullen zijn, tegen een lagere prijs. Dat maakt het een jaar later nog moeilijker om rond te komen - de neerwaartse spiraal doemt op.
Allah Dino leende bij verschillende mensen, onder wie de tussenpersoon die zijn vis op de markt brengt. Hij staat, zegt hij, inmiddels voor één lakh in het krijt: 100 000 Pakistaanse roepies (zo'n 4 000 gulden). Gemiddeld verdienen de vissers, zegt Shakil Ghori, 3 000 roepies per maand. Allah Dino krijgt sinds een jaar helemaal geen krediet meer. Hij moet eerst afbetalen. Hij verkoopt het kleine beetje vis dat hij nog vangt, voor 25 tot 30 roepies per kilo. Zijn tussenpersoon verkoopt de vis voor 120 roepies per kilo door.
Midden op het meer staan lange rijen stokken in het water. Ze houden fijnmazige netten omhoog. Daarmee vangen de Mohana's de vogels uit Siberië die op Manchar Lake overwinteren. De ooit overvloedig aanwezige waterlelies completeren het dagelijks menu. Allah Dino vangt geen vogels. De familie heeft geen netten, zegt hij. En als ze die al had, dan was er nog een probleem. De vogels zijn bij de wet beschermd. Om ze te kunnen jagen moeten de vissers ambtenaren omkopen en het dorpshoofd heeft zelfs geen geld meer om de steekpenningen te betalen.
De optelsom van de Mohana's is er een van armoede, achterstand en een milieuramp. Het lot van de visserskaste heeft de aandacht van Pakistaanse hulporganisaties, maar de initiatieven die zij ontplooien, zijn druppels op een gloeiende plaat. Daarbij richten zij zich in de eerste plaats op de bestrijding van de armoede en achterstand. Maar het is juist de milieuramp die de Mohana's de das omdoet.
Ook daar is aandacht voor. Manchar Lake is een uniek rietland, en verdient daarom bescherming. Er zijn pogingen gedaan om het meer onder de internationale Ramsar Conventie, die dit soort gebieden beschermt, te krijgen. In Hyderabad schetst hoogleraar Naseer Memon zijn oplossing van het probleem op een velletje A-vier. Het water uit de Main Nara Valley-drain zou kunnen worden afgevoerd naar verdampingspoelen in de woestijn van Baluchistan. Installaties in de Indus zouden water in de verbindingskanalen naar het meer kunnen pompen.
Hij maakt zich geen illusies. De Mohana's en andere bewoners in het gebied van Manchar Lake hebben geen enkele politieke vertegenwoordiger. Het district Sehwan, waarvan het meer deel uitmaakt, kreeg enkele jaren geleden een eigen vliegveld. Twee keer per week doet een vlucht van PIA, de Pakistaanse luchtvaartmaatschappij, dit symbool van vooruitgang aan. De premier van de provinciale regering in Sindh onder Benazir Bhutto kwam uit Sehwan, zegt hij. Hij moest zijn herverkiezing veilig stellen. Maar met het geld dat gemoeid was met de aanleg van het vliegveld, had ook het meer gered kunnen worden.
In 'Manchar Lake' beschrijft de Pakistaanse historicus Taj Muhammed Sahrai de cultuur van de Mohana's. Ze zijn, meent hij, de laatste afstammelingen van de oorspronkelijke bewoners van het gehele Indus-gebied. A thing of beauty, is a joy forever, citeert hij de Britse dichter John Keats. In Pir Mashaq is Allah Dino somber over de toekomst. Hij verwacht meer moeilijke dagen, zegt hij, meer pijn.
De afgelopen jaren hebben naar schatting 40 000 Mohana's het gebied verlaten. Waarom gaat hij niet weg? Hij moet de lening afbetalen, zegt het dorpshoofd, anders laten ze hem niet gaan. Daarbij, wat zou hij moeten gaan doen? Hij kan alleen maar vissen. En hij wil helemaal niet weg. Zijn vader is op deze boot geboren. De vader van zijn vader. Hij is aan Manchar Lake gehecht.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.