*

 
dossier

Archief

'Bij ons kunnen ze hun verhaal wel 100 keer vertellen'

Stijntje Blankendaal − 07/08/00, 00:00

In een land waar iedereen wel iemand kent die professionele hulp zoekt bij een psycholoog, is de eerste psychologische hulp na ongevallen afhankelijk van de vrijwilliger. Buro Slachtofferhulp vangt slachtoffers op van steeds zwaarder wordende geweldsdelicten en ongevallen. De vrijwilliger krijgt een zesdaagse stoomcursus, thema-avonden en gesprekstechnieken mee om vaak zwaar getraumatiseerde mensen de ruimte te geven hun verhaal te doen. Gerda Voorneveld (43) doet dat.

Om Gerda kan je niet heen. Op Paardenveld, het hoofdbureau van de politie in Utrecht, loopt ze kordaat door de gangen, pas in de hand, want het zal haar niet gebeuren dat de politie haar als vermoede indringer het bureau uitzet.

,,Het zijn aardige jongens, maar je moet ze wel een beetje bespelen.'' Ruim een jaar geleden is ze als vrijwilligster begonnen, in een groep van tien nieuwelingen, merendeels vrouwen. Ze zijn bijna allemaal boven de veertig en bereid iets in de ander te investeren.

Er zijn ook wel mannen, meestal vervroegd uitgetreden en op zoek naar een nieuwe invulling. Minstens één ding hebben ze gemeen: ze kunnen luisteren. Een tweede is hoe lang ze het vol houden. Van de groep van Gerda zijn er twee overgebleven. De meeste vrijwilligers werken zo'n elf uur per week. Gerda is een uitzondering, zij maakt er een dag- (en nacht-)taak van.

Vóór ze bij Buro slachtofferhulp Utrecht kwam, werkte ze jarenlang lang als vrijwilligster met kinderen. ,,Ik ben gek met kinderen, maar de hele dag liedjes zingen gaf uiteindelijk geen voldoening. Ik voelde me leeg.''

Haar zusje pleegde zelfmoord. Tien jaar eerder was ze overspannen geraakt. Ze kon zich niet langer concentreren, kwam in de WAO en wilde niet meer terug naar haar werk als secretaresse.

Gerda was altijd al actief in de buurt waar ze woont, gaat naar alle wijkvergaderingen en geeft raad als er problemen zijn: ,,Ik woon in een achterstandwijk waar mensen dicht op elkaar wonen en vaak bang zijn.''

Wiebe, de wijkagent, kreeg haar in de smiezen. Gerda: ,,Hij zei: 'Buro Slachtofferhulp zoekt nog mensen voor slachtofferhulp en we dachten aan jou'. Zelf had ik al een keer een stukje van de coördinator van het Buro in de krant gelezen dat me aan het denken had gezet. Vrienden hebben me uiteindelijk over de streep getrokken.''

Ze belde en werd uitgenodigd voor een gesprek: ,,Dat was een pittig gesprek. De coördinator legde me allerlei casussen voor. Ik moest reageren op het voorbeeld van een oude man bij wie een inbraak was gepleegd. Bij binnenkomst zou ik merken dat hij nog altijd voor zijn overleden vrouw de tafel dekte. Wat te doen? Hij had hulp nodig, dat wist ik zeker, maar hóé zou ik navragen, antwoordde ik.''

Binnen korte tijd haalde Gerda de zwaardere gevallen, als zedendelicten, naar zich toe. Al ervoer ze dat ook de op het oog onschuldige ongevallen, of lichtere vergrijpen, veel leed bij iemand naar boven kunnen halen. Haar eerste zaak was meteen een zware.

Ze moest Ronald opvangen, een jongen bij wie was ingebroken. Hij bleek middenin een rouwproces te zitten na het overlijden van zijn vriend. Hij had net een eigen huis gekregen. De dader was waarschijnlijk een bekende. ,,Ronald was niet te stuiten, heeft meteen het hele verhaal door de telefoon verteld en wilde niet meer terug naar het nieuwe huis.''

De ervaring heeft Gerda geleerd hoe belangrijk het is dat iemand eindeloos vaak zijn verhaal kan doen: ,,De eerste dagen leeft de omgeving wel mee, maar als mensen na twee of drie keer het verhaal nog een keer moeten aanhoren, nemen ze zichzelf in bescherming. Ze worden dan te veel met onveiligheid geconfronteerd, 'vergeet het nou maar'; zeggen ze dan.''

,,Bij ons mogen mensen wel honderd keer over hun ervaringen vertellen. Ze krijgen onze telefoonnummers niet, maar kunnen altijd via het Buro een afspraak maken en vaak bel ik ze zelf meerdere keren, ook 's avonds als ik denk dat het nodig is.''

,,Ik kan me zo kwaad maken op mensen die zich alleen maar bezig houden met luxeproblemen, of op mensen die verkrachting of beroving afdoen als onoplettendheid van anderen.''

,,Mensen veranderen pas als ze echt wat meemaken. Ik ben niet bang voor de dood. De ervaring met mijn zusje, maar ook het overlijden van vriendinnen, heeft de dood heel dichtbij gebracht. Eén agent heeft toen ontzettend geholpen. Je wilt namelijk precies weten hoe het gebeurd is. Die agent vertelde dat ze haar als een cocon op de rails hadden zien liggen. Ze waren te laat om in te grijpen en wilden haar niet laten schrikken. Ze is heel rustig dood gegaan.''

Een half jaar lang wandelde Gerda iedere keer opnieuw langs een station: ,,Ik dwong me zelf bij die treinen te lopen. Eerst kon ik dat alleen in stilte, nu ben ik zover dat ik er pratend met een vriendin langs kan lopen.''

,,Wel heb ik na een half jaar de NS gebeld. Ik zag namelijk dat je allerlei verschillende treinen hebt, treinen die laag en hoog bij de grond zijn. De gedachte bekroop me dat ze misschien eerst nog een tijdje geleefd had, onder de trein. Ze konden me geruststellen: de klap is definitief, als een mug op een autoruit.''

,,Mensen willen wéten; wát is er gebeurd. Het hele verhaal moet kloppen. Daar probeer ik mensen bij te helpen, ook door de praktische dingen aan te pakken, zoals wanneer mensen door hun verzekeraar bedonderd dreigen te worden. Dat pik ik niet, dan ga ik tot de bodem.''

,,Ook voor mij is het belangrijk dat het verhaal compleet is, anders weet je dat het blijft spoken. Ik stuur mensen steeds sneller door naar de professionele hulpverlening. Wij zijn er eigenlijk alleen voor de eerste opvang, maar door die lange wachtlijsten zijn slachtoffers lang afhankelijk van ons. Op een gesprek van een half uur met een maatschappelijk werkster moet je vaak al zes weken wachten. Wij zijn er gewoon, altijd bereikbaar.''

mailIcon print |