Het is al zeven weken opmerkelijk stil in de buurt. Het torenhoge nieuwe monster staat onaf in de steigers. De bovenste verdiepingen ontbreken. Werklieden zijn nauwelijks te bekennen. De reden: sinds het uitbreken van de Al-Aksa intifada blijven de Palestijnse bouwvakkers thuis. Zij vormen de motor van de Israëlische bouw.
De Israëlische aannemers klagen steen en been, ze eisen dat de regering onmiddellijk werklieden uit het buitenland importeert. Maar die wil er niet aan. Israël zit al opgescheept met 200000 gastarbeiders uit alle uithoeken van de wereld, van wie ruim honderdduizend illegaal. Chang Mei, een legale gastarbeider, vertelt dat het voor hem gouden tijden zijn. Moest de Chinese bouwvakker vroeger genoegen nemen met een aalmoes en lang op zijn loon wachten, ineens rennen de aannemers achter hém aan, betalen ze twee keer zoveel én op tijd.
De 125000 Palestijnse dagloners zijn niet alleen de bouwers van de zionistische staat, ze zijn ook onontbeerlijk in de landbouw. Tomaten verrotten nu in hun kassen, bloemen verwelken, grapefruits en sinaasappels hangen -kleurrijk dat wel- aan de bomen. Een ondernemend baasje besloot werkloze landgenoten in te zetten. Op de eerste dag waren de kosten aan eten en drinken hoger dan de opbrengst van hun noeste arbeid. De tweede dag verschenen er van de 45 plukkers nog maar zestien op het werk.
Nog zwaarder zijn de klappen voor het toerisme. Vliegtuigen uit Europa en Amerika arriveren half leeg. El Al heeft vluchten afgelast en tijdelijk personeel ontslagen. De bezetting in de hotels is gekelderd van tachtig naar tien, twintig procent.
Een somber beeld, zo lijkt het. En toch ook weer niet. Haast alle economen, de minister van financiën Abraham Sjochat voorop, zijn ervan overtuigd dat de Israëlische economie sterk genoeg is om deze intifada te doorstaan. Israël draait -bijna- gewoon door. Slechts heel specifieke bedrijfstakken, zoals bijvoorbeeld de voedselindustrie die veel naar de Palestijnse markt uitvoert, hebben een klap opgelopen.
De Israëlische economie heeft er in feite in lange tijd niet zo rooskleurig voorgestaan. De inflatie is bestreden, de recessie lijkt bedwongen, de sjekel, de Israëlische munt, staat sterker dan ooit. De verwachtingen voor de groei van het nationaal inkomen zijn met het voortduren van de intifada iets bijgesteld, maar liggen voor volgend jaar nog altijd rond de vier, vierenhalf procent.
Een van de belangrijkste pijlers is de hightech en die heeft zich, volgens de kenners, de afgelopen maand gevoeliger getoond voor de stijgingen en dalingen op de Nasdaq in New York dan voor de intifada naast de deur. Toch is ook dat beeld vertekend. Want als de intifada voorduurt en Israël zijn reservisten gaat mobiliseren, moeten alle computerfreaks ineens hun start-ups verruilen voor patrouillewagens.
En natuurlijk zijn er de bedrijfjes die wel varen bij de oorlog. Zij zijn eerder een curiositeit dan dat ze de economie beïnvloeden. De verhuur van videofilms is in een maand tijd met dertig procent gestegen. De leveranciers van bewakingsinstallaties en hekwerken kunnen de vraag niet aan. En bij de wapenwinkels loopt het storm. Mensen voelen zich niet veilig. De verkoop van pistolen is niet eens zo gestegen, omdat hiervoor vergunningen nodig zijn, maar oude pistolen worden ingeruild voor nieuwe, en traangashoudertjes en elektrische shockers zijn in trek.
Wel van economisch belang is de opleving van Israëls militaire industrie. De andere kant van die medaille is dat de oorlogsinspanning de staat handen vol geld kost, aan mankracht en materieel. Het leger heeft al honderden miljoenen extra gevraagd. Samen met de klappen die de bouw en de landbouw oplopen, kan dit op de langere termijn de economie beïnvloeden.
De vraag luidt dan ook 'hoe lang gaat deze oorlog nog duren'. Economen gaan er -nog- vanuit dat de partijen vroeg of laat weer om de tafel gaan zitten. Het advies van de directeur van de nationale bank luidt simpel: ,,Doorgaan met het economisch beleid alsof er geen intifada is.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.