Het is een navrante ervaring om op gezag van de commissie-Van Kemenade ruim vijftig jaar na dato alsnog te moeten vaststellen dat de Nederlandse samenleving Joodse oorlogsslachtoffers een kille ontvangst heeft bereid en de Nederlandse overheid ernstig tekort is geschoten in het naoorlogse rechtsherstel. Beschamend dat dit gebeurd is, beschamend ook het gemak waarmee dit boek tot in de nieuwe eeuw gesloten bleef. Wat valt er meer over te zeggen?
De commissie-Van Kemenade stelt voor om naast een spijtbetuiging voor het gebeurde, op basis van de thans aan het licht gekomen feiten 250 miljoen gulden beschikbaar te stellen, bij wijze van een gebaar en als een tegemoetkoming in het tekort. Maar over zowel dit gebaar als de spijtbetuiging is inmiddels een discussie ontbrand, waarin helaas zelfs geen begin van uitzicht valt te bespeuren.
Zo is er de vraag of een spijtbetuiging toereikend is. Een deel van de Kamer vindt van niet. Zij eist een ruiterlijk excuus, een verontschulding dus, en daarmee ook schuldbekentenis, want een excuus zonder schuldbekentenis is zinloos. Die eis komt ons een tikkeltje lichtvaardig voor, want in hoeverre mag Kok, mag een regering zijn voorgangers schuld in de schoenen schuiven, dat wil zeggen hen verwijten dat ze opzettelijk de Joden tekort hebben gedaan? Zoiets kun je met goed fatsoen niet van een regeringsleider eisen, tenzij een excuus beschouwd wordt als een gebaar. Maar daarvan moet je dan maar weer afwachten of dat geaccepteerd zal worden.
Hoe nauw dit luistert blijkt nu Joodse organisaties inmiddels te kennen hebben gegeven de tegemoetkoming ontoereikend te vinden. Zij eisen een reële vergoeding voor geleden schade, die naar hun schatting aanzienlijk hoger is dan de 250 miljoen. Maar valt er wel over een reële schadeclaim te praten? Wie ruim vijftig jaar na dato de rekening wil opmaken begeeft zich al gauw in een financieel moeras. Er zijn minnelijke schikkingen getroffen die een plus vertonen. Andere zaken zijn weer kruidenierachtig afgehandeld. Hoe taxeer je verdwenen kunstschatten?
Om al die redenen verdient een gebaar veruit de voorkeur, ook al laat dit een marge voor de vraag of het niet royaler had gekund. Maar het voornaamste is toch de ruiterlijke erkenning dat Joodse Nederlanders na de oorlog onrecht en nodeloos leed is aangedaan.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.