Net als elke verzekering heeft ook de brandverzekering vele haken en ogen, zoals enkele weken geleden op deze pagina al uit de doeken is gedaan.
Dat merkt ook mevrouw B. als na een brand in haar woonhuis de verzekering niet blijkt betaald en dus de verzekeraar niet bereid is de schade te vergoeden. Die schade is aanzienlijk. Het reinigen heeft 9500 gulden gekost, de afgevoerde boedel vertegenwoordigt een waarde van 50000 gulden.
Na de scheiding spreekt B. met haar ex-man af dat hij de premies van de belangrijkste verzekeringen voor B. voorlopig zal blijven betalen. Als puntje bij paaltje komt blijkt hij de brandverzekering echter niet te hebben doorbetaald. Pas na de brand hoort B. dat van de tussenpersoon.
B. stapt daarop naar de Raad van toezicht van het schadeverzekeringsbedrijf. Aldaar verklaart zij niet te hebben geweten van de onbetaalde premie. Bovendien heeft zij direct na de brand een expert in de arm genomen, die na overleg met de verzekeraar aan de gang ging en een reconditioneringsbedrijf aan het werk heeft gezet. B. stelt dat daaruit mag worden afgeleid dat er op dat moment toch dekking was. Tot slot stelt B. dat zij na de brand de verzekering op haar eigen naam heeft laten zetten. In het nieuwe polisaanhangsel wordt met geen woord gerept over een andere ingangsdatum of schorsende werking van de dekking ten aanzien van de brand omdat de premie niet op tijd is voldaan.
De verzekeraar laat weten dat hij de prolongatienota naar haar adres heeft gestuurd alsook de twee daarop volgende aanmaningen. B. zegt daarop dat zij die enveloppen ongeopend heeft doorgestuurd naar haar ex-man. Verzekeraar heeft daar geen boodschap aan en wijst op artikel 15 van de algemene voorwaarden. Daarin staat dat kennisgevingen rechtsgeldig geschieden aan het laatste bij de verzekeraar bekende adres. Ook stelt de verzekeraar niets te weten van contact met de ingeschakelde expert. De verzekeraar stelt dat hij nooit opdracht kan geven tot reiniging van de beschadigde inboedel, aangezien verzekeraar geen eigenaar is van die goederen.
De formele opstelling van de verzekeraar verandert echter gaandeweg de behandeling van de klacht van B. De gevolgen van de brand zijn voor B. zeer vervelend, merkt kennelijk ook de verzekeraar, en hij biedt aan de schade van de reiniging van haar woning ad. 9500 gulden uit coulance te vergoeden. B. neemt daarmee echter geen genoegen. Zij heeft nog aanzienlijke schade aan haar meubels welk bedrag zij niet zo maar uit de achterzak kan toveren.
De verzekeraar blijft echter bij zijn standpunt dat er geen premie is betaald en er dus op het moment van de brand geen dekking was. Echter, opnieuw vaart de geest van verzoening in de verzekeraar als hij erkent dat door inschakeling van het reconditioneringsbedrijf er wellicht meer meubels zijn vernietigd dan wanneer deze zaken aan B. zelf zouden zijn overgelaten. De verzekeraar biedt een extra vergoeding aan van 10000 gulden.
B. ruikt lont en weigert opnieuw de uitgestoken hand. De Raad vindt dat toch wat ver gaan. In zijn oordeel stelt de Raad dat B. in alle redelijkheid had kunnen weten dat er geen dekking meer was voor brand. Immers de achtereenvolgende aanmaningen kwamen steeds eerst bij haar terecht. Voor de afspraken tussen haar en haar ex-man is de verzekeraar niet verantwoordelijk, vindt de Raad.
Echter uit het rapport van de expert blijkt dat zijn werkzaamheden zijn verricht in opdracht van de verzekeraar. Daarom is het niet verdedigbaar dat B. opdraait voor de kosten van de reiniging. Wat betreft de afvoer van de beschadigde meubels geldt een ander verhaal, oordeelt de Raad. Daarvoor is simpelweg geen dekking. Daarvan wist ook B., stelt de Raad en dus heeft de verzekeraar de goede naam van het schadeverzekeringsbedrijf niet geschaad door dat keer op keer aan te voeren. Die goede naam is te meer niet geschaad nu de verzekeraar bereid is toch een deel van die ongedekte schade te vergoeden. Voor aanvullende vergoedingen ziet de Raad geen grond.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.