*

 
dossier

Archief

Een verfijnd schilder van vrouwenvlees

Cees Straus − 26/01/00, 00:00

De maandag op 53-jarige leeftijd overleden schilder Wout Muller was een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Noordelijke figuratieven. Deze schildersbeweging ontstond op en rond de Groningse kunstacademie Minerva, waar zij een pleitbezorger vond in de docent en kunstcriticus Diederik Kraaypoel.

Muller overleed in Kilmeaden, een plaatsje in de omgeving van het Ierse Waterford, waar hij sinds 1994 woonde maar nog altijd werkte in de traditie van het realisme zoals dat op Minerva werd uitgedragen. Tot 1990 was Muller trouwens als docent aan de academie verbonden, na zelf op de Gerrit Rietveld academie in Amsterdam te zijn geschoold. Ook anderzijds onderhield hij nog stevige banden met het Groninger land. Zo schilderde hij het interieur van het Nijsingh-huis in Eelde (de particuliere woning van Jos en Janneke van Groeningen waar Muller een erotisch kabinet schiep), direct naast het aldaar gevestigde Museum De Buitenplaats voor figuratieve kunst, waar zijn werk te zien is geweest. Het grote publiek kende hem voorts als een van de prominentste schilders uit de stal van Mokum in Amsterdam, een eveneens in figuratieve kunst gespecialiseerde galerie.

Hoewel Muller altijd in één adem wordt genoemd met zijn 'Minerva'-collega's als Matthijs Röling, Clary Mastenbroek (met wie hij gehuwd was) en zijn leerlinge Jacqueline Kasemier, liet hij binnen de figuratieve traditie een eigen geluid horen. Het werk van de plotseling overleden schilder, die tot vlak voor zijn dood nog uiterst actief was, wordt gekenmerkt door een obsessieve belangstelling voor het vrouwelijke vlees, dat in geen van zijn voorstellingen ontbreekt. Mullers vaste onderwerp was een exotisch aandoende vrouw, die meestal geheel of gedeeltelijk ontkleed in een tuin of landschap werd neergezet, waarbij ze met een schalkse blik rekenschap gaf van het feit dat ze werd bekeken. In deze 'ideale' vrouw zijn de trekken zichtbaar van het geliefde Groningse model Geke Hankel, die vele jaren voor de Groningse schilders heeft geposeerd.

Binnen dat vaste gegeven kon Muller zijn technische vaardigheden optimaal etaleren: met de verbetenheid van een middeleeuwse miniaturist omgaf hij zijn ideale vrouw met haarfijn gepenseelde bloemetjes en planten. In een van zijn recentste schilderijen ging hij er zelfs toe over om zijn favoriete model op een sokkel te plaatsen: een op de rug geziene tors met overmaats geproportioneerd zitvlees trekt de aandacht in een landschap dat met duizenden bloemen is overwoekerd.

Dit doek was onlangs nog te zien op de laatste expositie van Muller in de Groninger Galerie Wiek XX, die zich mede heeft ingezet om het werk van de figuratieven een bredere verspreiding te geven. Net als zijn collega's moest Muller met zijn werk tegen de stroom van negatieve kritiek oproeien. Hoewel hij bij het grote publiek geliefd was (getuige de goede verkopen en tal van opdrachten), werden hij en zijn collega's door de meeste musea geschuwd vanwege het vermeende gebrek aan visie.

Muller bleef ondanks dit ontbreken van museale erkenning zijn eenmaal gekozen stijl trouw. Hij deed dat zo hardnekkig, dat hij gaandeweg in een uitzichtloos maniërisme terechtkwam dat zijn werk uiteindelijk voorspelbaar maakte.

mailIcon print |