Een scheepskerkhof in een riviermond heeft wel iets weg van een oorlogswond, zegt scheepvaarthistoricus Cor Heijkoop. ,,Ik ken iemand met nog steeds wat metaal in zijn lijf. Dat blijft eruit zweren. Zo is het met de Westerschelde ook. Alles blijft werken en verplaatsen.''
Rijkswaterstaat en de Vlaamse regering moeten dan ook niet denken dat ze klaar zijn als over een paar jaar volgens afspraak de laatste 45 wrakken uit de vaargeul van de Noordzee naar Antwerpen zijn verwijderd. De Schelde heeft nog voorraad. Maar het zal wel opruimen. Vorige week werden ze met een publicatie in de Staatscourant officieel onder de Wrakkenwet geplaatst, zodat de oude eigenaren ze kwijt zijn. De 'Geertje Albers', een tjalkschip. De 'Fort Maisonneuve', een stoomvrachtschip. Maar ook: de LCT 666, een landingsvaartuig. De T geeft aan dat het een complete tank kon bergen; het nummer is een raadsel, want in geen enkel archief heeft Heijkoop een '666' kunnen vinden.
Zulke details tellen. Heijkoop is in zijn vrije tijd al dertig jaar onderzoeker van het scheepvaartverleden van de Westerschelde. Van zijn gegevens maakt Rijkswaterstaat, dat de afgelopen jaren al een dozijn wrakken liet opruimen, geregeld gebruik. ,,Ze zijn natuurlijk vreselijk tuk op munitie. En ik kan ze erop wijzen als bij een scheepsramp ook mensen zijn omgekomen. Zo'n schip is dan een graf, daar ga je toch anders mee om.'' Het omgekeerde kwam ook een keer voor. ,,Van een Brits oorlogswrak was iemand als omgekomen opgegeven, maar ik wist dat nog niet zo zeker. Hij heette Murdo McLeod, zoiets als bij ons Jan Jansen. Maar ik deed een oproep in een krant in Stornoway, met zijn legernummer erbij, en daarop reageerde... Murdo McLeod. Die kon ik toen zijn eigen overlijdensakte opsturen. Later nodigde ik hem uit voor de presentatie van een boek van me waarin hij voorkwam, maar dat sloeg hij af, want die Nederlanders hadden hem de vorige keer ook al laten doodgaan.''
De oorlog ligt nog steeds voor het grijpen in de Westerschelde, vooral voor de rede van Vlissingen en ten westen daarvan. ,,Antwerpen was van groot strategisch belang. Daarom hebben de geallieerden Walcheren veroverd, voorbij Vlissingen waren de schepen dan veilig. Vanuit Nederland probeerden de Duitsers met mini-onderzeeboten de konvooien aan te vallen die vanaf de zuidkust van Engeland kwamen.'' Over die mini-onderzeeers, waarvan de Westerschelde natuurlijk ook zijn deel kreeg, schrijft Heijkoop nu een studie. ,,Het is een echt Nederlands verhaal, uit andere landen hebben ze nauwelijks geopereerd.''
Oostelijk van Vlissingen ligt een heel ander soort historie: de tijdens een kleine eeuw in het zand verzamelde gevolgen van slecht zeemanschap of domme pech. ,,Bij Vlissingen had je ankerplaatsen, daar was drukte waar makkelijk iets gebeurde. Verderop had je de knikken in de rivier, zoals het Nauw van Bath, waar je scherp moest bijsturen terwijl de stroom er sterk is; de schepen passeerden elkaar nog in de bocht, zonder radar, zonder radio. En bij de sluizen van het Kanaal door Zuid-Beveland kwamen al die 'binnenmannen' tegelijk de sluis uit, alsof een school uitging bij een drukke weg!''
En net als op de snelweg moest na een ongeluk alles zo snel mogelijk aan de kant. Letterlijk: ,,Zet maar op de plaat, zeiden ze dan. Maar de Schelde is een getijdenrivier: als je er binnen 24 uur bij was en er zat nog genoeg lucht in het schip, kon je het nog wel vlottrekken, maar daarna raakte het onherroepelijk vast. De eigenaar incasseerde zijn verzekeringspenningen en als het schip in de weg lag, torpedeerde de marine er wel een stuk af. De laatste tijd gaat dat natuurlijk anders. Ik denk dat het modernste wrak in de Westerschelde uit de jaren zestig is.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.