*

 
dossier

Archief

Ambassades hebben rol in homo-emancipatie

Boris Dittrich en Dennis van der Veur − 05/01/00, 00:00

Eind vorig jaar ging het kabinet akkoord met de benoeming van Renée Jones-Bos tot mensenrechten-ambassadeur. Met deze nieuwe functie wil Nederland meer aandacht besteden aan het mensenrechtenvraagstuk. Een vergeten onderdeel daarvan is de vaak schrijnende juridische en sociale situatie van homoseksuelen in andere landen. De nieuwe mensenrechtenambassadeur zal ook daar veel aandacht aan moeten geven.

De vorige minister van ontwikkelingssamenwerking Pronk greep in 1996 als voorzitter van een conferentie niet in, toen de president van Zimbabwe Mugabe homoseksuelen ,,lager dan honden en varkens' noemde. Na kritiek uit de Tweede Kamer en het COC haastte hij zich om vertegenwoordigers van de Nederlandse homobeweging uit te nodigen en het 'Platform homoseksualiteit en Ontwikkelingssamenwerking' op te richten. Hij beloofde de Nederlandse ambassades te vragen over de situatie van homoseksuelen te rapporteren en homo-organisaties op te sporen die financieel ondersteund kunnen worden. Helaas is het platform maar twee keer bijeengekomen en heeft het nooit gefunctioneerd. Dat is een gemiste kans. In 98 landen bestaan nog discriminerende wetten tegen homoseksuelen en in 74 landen is homoseksualiteit strafbaar, soms met de doodstraf.

Dat wil niet zeggen dat internationale belangenbehartiging van homoseksuelen sinds de oprichting van het Platform helemaal niet plaatsvindt. In Roemenië is een project van het COC van de grond gekomen. Sinds 1997 ondersteunt de organisatie met overheidssubsidie de Roemeense homo-organisatie Accept. Een maand geleden is het eerste homo/lesbische ontmoetingscentrum geopend in dit enige land in Europa waar homoseksualiteit nog in het Wetboek van Strafrecht staat. Mede onder druk van Accept heeft de Roemeense vice-premier Stoica, tevens minister van justitie, een wijziging op het Wetboek van Strafrecht voorbereid, waarbij de anti-homoseksuele bepaling geschrapt is.

Het zou een goede zaak zijn, als een dergelijk project ook in andere landen wordt opgezet. Het 'lijstje van Herfkens' brengt het aantal landen waaraan intensieve bilaterale hulp wordt gegeven, echter terug van 118 naar ongeveer twintig landen. Wat betekent deze concentratie voor eventuele Nederlandse ondersteuning van buitenlandse homo/lesbische bewegingen? Minister Herfkens wil immers alleen maar steun geven aan landen, die een 'goed bestuur' hebben en een goed sociaal-economisch beleid voeren. Het is onduidelijk of homo/lesbische emancipatie een criterium is van 'goed sociaal en economisch beleid'. Wordt dit bij de beoordeling van de landen aan de orde gesteld? Vraagt Herfkens expliciet aan deze regeringen of en zo ja welk homo-emancipatiebeleid zij voeren? Als dat zo is, wat doen landen als India en Nicaragua dan op haar lijstje? In deze landen staat homoseksualiteit nog in het Wetboek van Strafrecht en worden mensen louter vanwege hun homoseksuele geaardheid vervolgd. Komen organisaties, die de belangen van homoseksuelen behartigen in landen die niet op het lijstje van Herfkens staan, helemaal niet meer voor Nederlandse in aanmerking?

Voor de ondersteuning van dergelijke organisaties moet volgens ons een duidelijk beleid en geoormerkt budget komen, zoals dat ook voor bijvoorbeeld vrouwenemancipatie is ingesteld. Bovendien zou het een mooie eerste taak van de nieuwe mensenrechten-ambassadeur zijn, om het platform Homoseksualiteit en Ontwikkelingssamenwerking nieuw leven in te blazen.

Daarbij leert de ervaring in Roemenië dat de ambassades een grote rol kunnen spelen bij het signaleren van schendingen van de rechten van homoseksuelen. De Nederlandse ambassades kunnen de mensenrechten-ambassadeur daar tijdig attent op maken. Ze zouden homo-organisaties actief kunnen informeren over de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden ondersteund te worden. Daarvoor is het wel belangrijk dat ambassadepersoneel openstaat voor dit soms toch nog gevoelige onderwerp in diplomaten-land. Aandacht voor de situatie van homoseksuelen in het buitenland zou daarom een grotere rol moeten spelen in de opleiding van uit te zenden personeel.

Bovendien moet de Tweede Kamer jaarlijks een openbare hoorzitting organiseren, waar de nieuwe ambassadeur voor de mensenrechten komt vertellen over de vorderingen, die zij maakt. De kamerleden kunnen haar dan vragen stellen en suggesties aandragen. Uiteraard vallen de gegeven antwoorden onder de politieke verantwoordelijkheid van de minister, maar een directer contact tussen de volksvertegenwoordiging en deze ambtenaar komt de transparantie en overtuigingskracht van het gevoerde beleid ten goede.

mailIcon print |