,,Laten we er nog eens heel goed over na denken. Laten we niet de fout maken te denken dat wij, progressieve, liberale, niet-confessionele burgers toch jarenlang voorstander zijn geweest van legalisering van euthanasie en dat wij dus voor dit nieuwe wetsvoorstel moeten zijn.'' De politicologe Margo Trappenburg over de kabinetsvoorstellen inzake abortus en euthanasie.
Abortus en euthanasie kun je op twee manieren liberaliseren. Je kunt kiezen voor een medisch-professioneel regime. Dan zeg je dat abortus en euthanasie toelaatbaar zijn als de arts oordeelt dat er goede redenen voor bestaan. Je kunt ook kiezen voor individuele zelfbeschikking. Dan zeg je dat het verzoek van een zwangere vrouw of de vraag van een lijdend individu voldoende zijn om zwangerschapsafbreking en medische hulp bij het sterven te legitimeren. Natuurlijk staan beide regimes niet volledig tegenover elkaar. In een medisch-professioneel regime speelt de wens van de patiënt ook een belangrijke rol en in een zelfbeschikkingsregime behoudt de arts op z'n minst de mogelijkheid om een patiënt door te verwijzen naar een collega.
In Nederland is bij de regulering van abortus de nadruk komen te liggen op het zelfbeschikkingsrecht van de vrouw. Bij euthanasie ligt de nadruk veel meer op het professionele oordeel van de arts, dat de patiënt ondraaglijk en uitzichtloos lijdt. In de nieuwe plannen van het kabinet wordt deze lijn merkwaardig genoeg doorbroken. Voor verlate abortus wordt alsnog een medisch-professioneel regime ingevoerd, terwijl het nieuwe wetsvoorstel inzake euthanasie alsnog kiest voor een zelfbeschikkingsmodel.
ABORTUS
Joyce Outshoorn beschrijft in haar proefschrift de strijd die voorafging aan de Wet afbreking zwangerschap. In de beginfase van deze strijd (1963-1973) domineerde een medisch-professionele kijk op het probleem. Abortus was weliswaar strafrechtelijk verboden, maar medici waren van oordeel dat zij dit gebod af en toe mochten overtreden. Bijvoorbeeld als het leven van de moeder gevaar liep door de zwangerschap, of als de foetus ernstig mismaakt geboren dreigde te worden (begin jaren zestig speelde de beruchte Softenon-affaire), maar ook als de psychische gezondheid van de vrouw op het spel stond. Outshoorn verhaalt over artsen die de oorzaak van een verzoek om abortus zochten in 'gezins- en relatiepathologie' en voor wie deze verstoorde gezinsstructuur aanleiding was om het verzoek te honoreren ('de arts bedenke wel dat de zwangere vrouw die haar graviditeit kunstmatig verstoord wil zien in menig geval en vooral als ze ongehuwd is, een ernstig zieke is' of op z'n minst een 'labiele persoonlijkheid'). Zou abortus in die tijd gereguleerd of gelegaliseerd zijn, dan zou men waarschijnlijk hebben gekozen voor een medisch-professioneel regime.
Maar er werd in deze eerste fase van de abortusstrijd uiteindelijk niets beslist. Wel werd de reikwijdte van het begrip 'medische indicatie' steeds verder opgerekt: 'Iedereen is psychisch gestoord, daar is niet tegen op te aborteren' citeert Outshoorn de ontboezeming van een gynaecoloog in 1974. De vrouwenbeweging die zich vanaf begin jaren zeventig steeds actiever in de strijd ging mengen, zag niet veel heil in medisch-professionele regulering hoe coulant ook. Zij wenste 'baas in eigen buik' te zijn en streefde naar vrije abortus op verzoek. Er ontstond een abortus-hulpverleningspraktijk buiten de reguliere gezondheidszorg om, in speciale abortusklinieken, waar de vraag van de vrouw voldoende werd geacht om tot abortus over te gaan.
De vrouwenbeweging heeft grotendeels haar zin gekregen. Abortus is in Nederland geliberaliseerd volgens het zelfbeschikkingsregime. Toegegeven, de tekst van de Wet afbreking zwangerschap neigt nog een beetje naar medisch-professionele regulering. Abortus is toegestaan 'indien de noodsituatie van de vrouw deze onontkoombaar maakt' en de arts verricht de handeling slechts 'indien deze op grond van zijn bevindingen verantwoord is te achten'. Bij nadere beschouwing blijkt echter uit de toelichting op de wetstekst en uit de ontwikkeling van de abortuspraktijk dat de verantwoordelijkheid voor de beslissing nadrukkelijk bij de vrouw is gelegd. De arts dient zich er slechts van te vergewissen dat zij een weloverwogen keuze heeft gemaakt, 'in het volle besef van haar verantwoordelijkheid voor het ongeboren leven'. In een recent evaluatierapport gewijd aan de Wet afbreking zwangerschap constateert de Inspectie voor de volksgezondheid dat artsen hun rol vooral dienend opvatten: zij gaan na of de vrouw werkelijk een abortus wil, niet of zij in een objectiveerbare noodtoestand verkeert.
Dat het zelfbeschikkingsrecht ten aanzien van zwangerschap en abortus de dominante norm geworden is blijkt ook uit het feit dat het na de invoering van de Wet afbreking zwangerschap nooit meer is gelukt het recht van de vrouw op abortus in te perken.
De toegenomen mogelijkheden van prenatale diagnostiek hebben regelmatig geleid tot discussies over selectieve abortus van gehandicapte foetussen. Zou er niet een grens moeten worden getrokken tussen zware en lichtere aandoeningen waarbij de eerste (syndroom van Down, open ruggetje) wel en de tweede (afwijking aan de geslachtschromosomen, klompvoetje, hazelip) niet zouden mogen resulteren in zwangerschapsafbreking? Ook is gesproken over een vermeende wens tot abortus bij met name allochtone vrouwen omdat de foetus het 'verkeerde' geslacht zou hebben. Beide discussies zijn afgeketst op het reproductieve zelfbeschikkingsrecht van de zwangere vrouw. Het idee dat je een vrouw dwingt een door haar niet (of niet langer) gewenst kind op de wereld te zetten is, zodra het in volle omvang doordringt, geen reele optie meer. Zoals Trouw-columniste Selma Schepel het uitdrukte toen de abortus-discussie in 1997 weer oplaaide naar aanleiding van een Zembla-documentaire die suggereerde dat er zo nu en dan 'lichtzinnig' geaborteerd werd: 'Een vrouw moet maandenlang aanzien hoe haar lichaam opzwelt, moet pijn lijden. Wie zwangerschap en bevalling aan den lijve ondervonden heeft, bijt liever haar tong af dan een andere vrouw zoiets Tegen Haar Zin op te leggen. Heren politici, ga toch thuis je eigen vrouw pesten, die heeft daar vrijwillig ja op gezegd, en laat vrouwen die je verder niet kent met rust.'
Hoewel abortus op verzoek de dominante norm is, is er in artikel 82a van het Wetboek van Strafrecht één grens overeind gehouden die het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen inperkt. Als de foetus levensvatbaar is, kan een voortijdig opgewekte bevalling worden uitgelegd als een aanval op zijn leven. In de praktijk betekent dit dat artsen na 24 weken zwangerschap niet meer aborteren. Het is deze grens die ter discussie wordt gesteld in de nieuwe plannen van het kabinet. De behoefte aan het verleggen van deze grens hangt nauw samen met het Nederlandse systeem van verloskundige zorg. Anders dan in sommige andere landen wordt in Nederland niet routinematig echografisch onderzoek verricht halverwege de zwangerschap (ergens tussen week 18 en week 20). Verschillende ernstige aandoeningen die bij zo'n standaard-echo zouden kunnen worden aangetoond (men denke aan kinderen met een waterhoofd, een open ruggetje of zonder hersenen) worden in Nederland pas aangetroffen als de vrouw vanwege problemen met de zwangerschap (hoge bloeddruk of groeivertraging bij de foetus) alsnog een echografisch onderzoek ondergaat. Tegen die tijd is de wettelijke abortustermijn van 24 weken soms al voorbij. De in 1996 ingestelde Overleggroep late zwangerschapsafbreking constateerde dat artsen in zulke gevallen op verzoek van de zwangere vrouw de bevalling soms voortijdig opwekken zodat de foetus sterft. (Naar schatting zo'n 120 keer per jaar, volgens de Overleggroep.). De Overleggroep had begrip voor de noodsituatie van vrouwen die, geconfronteerd met het vooruitzicht dat hun kind kort na de geboorte zou sterven of zeer zwaar gehandicapt zou blijven, hun zwangerschap niet wilden uitdragen en kon het billijken als artsen deze wens honoreerden.
De Overleggroep stelde het volgende voor:
1. Voor baby's die niet levensvatbaar zijn geldt art. 82a van het Wetboek van Strafrecht simpelweg niet. Een voortijdig opgewekte bevalling kan niet worden beschouwd als een aanslag op hun leven, aangezien leven voor hen sowieso niet mogelijk zal zijn.
2. Voor zwangere vrouwen die een baby dragen die wel levensvatbaar is, maar zeer zwaar gehandicapt wordt een medisch-professioneel regime in het leven geroepen. De arts wordt geacht over de toestand van vrouw en baby een medisch-professioneel oordeel te vellen: als de vrouw de zwangerschap echt niet meer aan kan en de baby een onleefbaar leven tegemoet gaat mag de zwangerschap voortijdig worden beëindigd. Dit oordeel moet vervolgens in een centrale medisch-ethische commissie worden getoetst.
Deze voorstellen van de Overleggroep zijn min of meer overgenomen door het kabinet. Hoewel ik vind dat deze positie getuigt van grote zorgvuldigheid betwijfel ik toch of de introductie van een medisch-professioneel regime op het terrein van abortus nu nog haalbaar is. Stelt u zich een vrouw voor die 26 weken zwanger is, van de gynaecoloog te horen krijgt dat haar ongeboren kind een ernstige skeletafwijking heeft, en vervolgens verzoekt om de zwangerschap te beëindigen. In de huidige situatie heeft de gynaecoloog de keuze tussen: het verzoek inwilligen en hopen dat het niet uitkomt of het verzoek afwijzen omdat het Wetboek van Strafrecht abortus in de 26ste week verbiedt. In de nieuwe situatie zou hij moeten kiezen tussen: het verzoek inwilligen of zeggen dat hij daar medisch-professioneel gezien onvoldoende reden voor ziet.
Ik ben er in het algemeen helemaal voor dat een arts een zelfstandige medisch-professionele verantwoordelijkheid heeft en een patiënt kan uitleggen dat hij behandeling x of recept y niet krijgt omdat daar medisch gezien geen reden voor is, maar in het geval van abortus ligt de zaak anders. 'Nee, ik leid de bevalling niet in, want u bent niet wanhopig genoeg en ik denk dat uw gehandicapte kindje een leefbaar leven kan leiden, dus u zult er voor moeten zorgen', dat is nogal wat om te zeggen tegen een vrouw die nog 14 weken zwangerschap voor de boeg heeft. Ik denk dat het medisch-professionele regime rond de late zwangerschapsafbreking in de praktijk zal neerkomen op een uitbreiding van de beslissingsbevoegdheid van de vrouw. Aannemende dat dit zo is valt misschien te overwegen of het recht op abortus niet beter ongeclausuleerd kan worden vastgelegd. Het overgrote deel van de Nederlandse vrouwen springt verantwoord om met haar baas-in-eigen-buik-bevoegdheid (Nederland heeft een van de laagste abortuscijfers ter wereld), vrouwen zullen vrijwel altijd een vroege abortus prefereren boven een late; er lijkt geen enkele aanleiding te bestaan om te vrezen dat het schrappen van de 24-weken grens zal leiden tot een massale vraag om abortus in week 26.
Een dergelijke oplossing zou wellicht ook beter verteerbaar zijn voor de Gehandicaptenraad. Het huidige voorstel creëert rechtsongelijkheid tussen gezonde en gehandicapte ongeborenen. Gezonde foetussen vallen nog steeds onder de bescherming van art. 82a Sr. terwijl voor gehandicapte foetussen een aangepast wettelijk regime wordt gecreëerd. Dat suggereert toch een beetje dat de staat gezonde foetussen zonodig wil beschermen tegen lichtzinnige beslissingen van hun moeders, maar dat die bescherming van staatswege aan gehandicapte ongeborenen wordt onthouden. Een soort foetale rechtsongelijkheid dus, die voor de Gehandicaptenraad aanleiding was om te pleiten voor opname van 'handicap' als verboden motief voor discriminatie in artikel 1 van de Grondwet. Wat is er tegen om simpelweg vast te leggen dat foetussen niet worden beschermd door de staat, maar door hun aanstaande moeder, in zoverre deze bereid en in staat is die bescherming te bieden? Impliciet heeft de Nederlandse overheid deze keuze op een ander vlak ook al gemaakt: zwangere vrouwen worden in Nederland (anders dan in de VS bijvoorbeeld) niet vervolgd wegens overmatig drank- of drugsgebruik, ofschoon de foetus daar soms aantoonbaar schade van ondervindt. Vrouwen worden in Nederland ook niet onderworpen aan een keizersnee tegen hun zin, om het leven van de baby te redden. Ten aanzien van abortus lijkt een consequente uitwerking van het recht op reproductieve zelfbeschikking van de vrouw de meest geschikte oplossing.
VERVOLG OP PAGINA 30
VERVOLG VAN PAGINA 29
Willen we dit nu echt
EUTHANASIE
Anders dan bij abortus is bij euthanasie jarenlang sprake geweest van liberalisering volgens het medisch-professionele model. De Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie heeft, net als de vrouwenbeweging bij abortus, geprobeerd om het model van individuele zelfbeschikking ingang te doen vinden, maar zij boekte daarin tot voor kort niet al teveel succes. De normering die in de loop der jaren in Nederland is ontwikkeld kan als volgt worden samengevat: Actieve medische hulp bij het sterven is toelaatbaar als
- de patiënt daar nadrukkelijk en herhaaldelijk om vraagt;
- er volgens de arts sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden en
- de arts zich houdt aan een aantal zorgvuldigheidseisen (consultatie van een tweede arts en melding van de euthanasie bij de bevoegde autoriteiten).
De tweede voorwaarde eist een eigen oordeel van de arts. Het is niet voldoende dat de patiënt zijn lijden als ondraaglijk ervaart, de arts moet de toestand van de patiënt ook als zodanig kwalificeren. Regelmatig worden euthanasieverzoeken geweigerd als de arts meent dat het lijden nog niet als ondraaglijk kan worden aangemerkt. Anders dan bij abortus heeft zich bij euthanasie nooit een hulpverleningspraktijk van enige omvang ontwikkeld buiten de gezondheidszorg om. Euthanasie vindt plaats binnen de reguliere gezondheidszorg, is voornamelijk een zaak van gewone huisartsen.
Opeenvolgende rechterlijke uitspraken sloten goed aan bij de algemene lijn van medisch-professionele regulering. Keer op keer is door rechters vastgesteld dat euthanasie een handeling is die is voorbehouden aan artsen. Steeds is ook bepaald dat er bij euthanasie sprake moest zijn van ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Veelzeggend was een uitspraak van de Rechtbank te Rotterdam die moest oordelen over een arts die via de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie in contact was gebracht met een patiënt wier verzoek om hulp bij zelfdoding door haar behandelend arts was geweigerd. De door de NVVE aangezochte arts had de patiënt toch geholpen, 'vanuit haar opvatting dat ieder mens het recht heeft om zelf te beschikken over zijn leven.' De rechtbank verweet de verdachte in het bijzonder 'dat zij willens en wetens, buiten een behandelrelatie om, vanuit een instelling die eenzijdig gericht was op de kenbaar gemaakte doodswens (...) met Y is verder gegaan en uiteindelijk Y heeft bijgestaan bij zijn zelfdoding.'
Het bouwwerk van medisch-professionele regulering is pas gaan wankelen in 1994 met een uitspraak van de Hoge Raad in het zogeheten Chabot-arrest. Psychiater Chabot werd geconfronteerd met een diep ongelukkige, maar naar Chabots oordeel geestelijk en lichamelijk gezonde vrouw. Haar twee zoons waren overleden, haar huwelijk was stuk gelopen en Netty B. wilde niet verder leven. Zij vroeg de psychiater haar te helpen en na rijp beraad heeft Chabot haar middelen gegeven om haar leven te beëindigen. De Hoge Raad heeft in deze zaak een buitengewoon onhandige uitspraak gedaan. Hij heeft bepaald dat Netty B. leed aan een rouwverwerkingsstoornis en daarmee aan een soort psychiatrische aandoening (aldus toch enigszins suggererend dat de rechter soms beter weet of mensen ziek zijn dan hun behandelend arts) en heeft voorts overwogen dat de oorzaak van iemands lijden niet doorslaggevend is bij de vraag of dat lijden door of met hulp van een medicus mag worden beëindigd. Met andere woorden, ook als mevrouw B. niet zou hebben geleden aan de door de Hoge Raad geconstateerde aandoening had Chabot haar mogen helpen (zij het dat hij in beide gevallen wel extra zware procedurele voorzorgen in acht had moeten nemen). Sinds het Chabot-arrest is niet langer duidelijk of een medisch-professionele toets nog noodzakelijk is om een verzoek om levensbeëindiging te honoreren. Of, preciezer geformuleerd, het is niet langer duidelijk wat die toets nog in moet houden. Moet er nog sprake zijn van een ziekte of een psychiatrische aandoening die het leed veroorzaakt?
Illustratief voor de verwarring is een gedachtenwisseling in Letter & Geest volgend op een verhaal van huisarts-auteur Ignace Schretlen, getiteld 'Euthanasie à deux'. Schretlen beschrijft hierin hoe hij samen met een collega een einde maakt aan het leven van een bejaard echtpaar. Van somatisch lijden is bij zowel de man als de vrouw slechts in beperkte mate sprake. Zij heeft in het ziekenhuis een nare doorligwond opgelopen en ziet op tegen een volgende heupoperatie. Hij vertoont mogelijk eerste verschijnselen van dementie. De voornaamste reden voor hun vraag om euthanasie is echter dat zij vrezen dat mevrouw op zeker moment naar een verpleeghuis zal moeten verhuizen (gegeven de huidige wantoestanden in de thuiszorg) en dat zij dan van elkaar gescheiden zullen worden.
De casus bleek, naar de redactie van Letter & Geest enkele dagen later onthulde, fictief. De redactie had gedacht dat dit voor alle lezers van meet af aan duidelijk zou zijn geweest en toonde zich verbaasd dat een aantal lezers verontruste brieven hadden gestuurd omdat zij meenden dat Schretlen een waar gebeurde euthanasie had beschreven. De redactie had niet gedacht dat de euthanasiepraktijk in Nederland zodanig onduidelijk was dat iemand de 'Euthanasie à deux' voor waar had kunnen houden. Ik denk dat het beeld van de Nederlandse euthanasiepraktijk lange tijd vrij duidelijk is geweest maar dat het, sinds de zaak-Chabot, heen en weer schuift tussen medisch-professionele regulering en het zelfbeschikkingsmodel als gepropageerd door de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie. Binnen de context van medisch-professionele regulering is Schretlen's verhaal volstrekt ondenkbaar. Bezien vanuit het zelfbeschikkingsmodel hoort het echter wel degelijk tot de mogelijkheden.
Wat gebeurt er nu in het nieuwe wetsvoorstel dat de regering naar de Tweede Kamer heeft verstuurd? Dat nieuwe wetsvoorstel trekt de lijn uit het Chabot-arrest door en zet een groot aantal verdere stappen in de richting van het zelfbeschikkingsmodel. In de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding wordt voorgesteld dat de arts mag overgaan tot euthanasie als hij de overtuiging heeft gekregen dat er a) 'sprake was van een vrijwillig, weloverwogen en duurzaam verzoek van de patiënt' en b) van 'uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt'. In de Memorie van Toelichting verwijzen de ministers, ter nadere invulling van de tweede bepaling expliciet naar de jurisprudentie van het Chabot-arrest. Daarmee wordt geïmpliceerd dat het lijden geen somatische of psychiatrische basis hoeft te hebben; een inhoudelijke medisch-professionele toets is niet langer noodzakelijk. De tweede arts die verplicht moet worden geraadpleegd bij een euthanasie-verzoek dient dat verzoek te toetsen aan de hand van dezelfde criteria.
De indruk dat het wetsvoorstel een verschuiving beoogt in de richting van het zelfbeschikkingsmodel wordt nog veel sterker als we kijken naar de voorgenomen regulering van schriftelijke wilsverklaringen. Als een patiënt ooit (het wetsvoorstel noemt geen termijn) een document heeft getekend waarin hij verklaart onder bepaalde omstandigheden (coma, ziekte van Alzheimer) door de arts gedood te willen worden, dan kan de arts dat verzoek honoreren tenzij hij gegronde redenen heeft om dat niet te doen. De gekozen 'ja, tenzij' formulering suggereert een sterke inperking van de zelfstandige beoordeling door de arts. En dan zijn er nog de in de pers veelbesproken bepalingen over het recht op euthanasie van tieners desnoods tegen de wil van hun ouders in.
De sympathiekste doelstelling van het nieuwe wetsvoorstel euthanasie is de verdere decriminalisering van medische hulp bij het sterven. Artsen die een ernstig lijdende, ongeneeslijk zieke patiënt op diens uitdrukkelijk verzoek helpen en die dit doen volgens de vastgelegde zorgvuldigheidseisen zullen onder het regime van de nieuwe wet niet meer in aanraking komen met het strafrecht. Hun handelen wordt gemeld bij toetsingscommissies, bestaande uit een jurist, een medicus en een specialist op het gebied van ethische of zingevingsvraagstukken. Deze commissies bestaan nu ook al; nieuw is dat zij zorgvuldig uitgevoerde gevallen van euthanasie niet langer ter herbeoordeling hoeven door te spelen aan het openbaar ministerie. De hoop is dat het aantal gemelde euthanasie-gevallen zal toenemen als de slagschaduw van een strafrechtelijk oordeel verdwijnt. Die stap lijkt me verdedigbaar, maar die kan heel wel gezet worden zonder dat we daarnaast afscheid nemen van de medisch-professionele regulering en overgaan tot een model van ultieme zelfbeschikking.
Reproductieve zelfbeschikking ten aanzien van abortus is een geschikte reguleringsmethode. Abortus is een probleem dat zich goed laat overzien en beheersen. Anticonceptie is verre te prefereren boven abortus; de vraag om zwangerschapsafbreking zal dus over het algemeen beperkt blijven tot zwangerschappen ontstaan door falende anticonceptie of verkrachting. Het valt te verwachten dat deze vraag nog af kan nemen bij goede voorlichting over anticonceptie aan allochtone vrouwen en jonge meisjes. Daarnaast is er bij abortus een vermoedelijk groeiende vraag die samenhangt met de toenemende mogelijkheden van prenatale diagnostiek. Zou je deze vraag ooit willen beheersen, dan ligt het voor de hand om beperkingen aan te brengen in de toegang tot prenataal onderzoek en niet in de daarmee samenhangende vraag om abortus.
Euthanasie is in vergelijking met abortus een behoorlijk onoverzienbaar en navenant minder goed beheersbaar probleem: we gaan allemaal ooit dood en velen van ons zullen worden geconfronteerd met een langdurig ziekbed, met geestelijke en lichamelijke aftakeling, met verlies van zelfstandigheid en met toenemende eenzaamheid. De potentiële vraag om euthanasie is zo groot dat een ingebouwde rem in de vorm van een medisch-professionele toets een veilig idee is.
Laten we er nog eens heel goed over na denken. Laten we niet de fout maken te denken dat wij, progressieve, liberale, niet-confessionele burgers toch jarenlang voorstander zijn geweest van legalisering van euthanasie en dat wij dus voor dit nieuwe wetsvoorstel moeten zijn. Legalisering of decriminalisering kan op verschillende manieren plaatsvinden en niet al die manieren zijn even goed. Onder handhaving van de nieuwe status van de toetsingscommissies zouden we bijvoorbeeld kunnen pleiten voor:
- Nadere invulling van het begrip 'uitzichtloos en ondraaglijk lijden'; vastleggen dat dit lijden een somatische of psychiatrische basis moet hebben;
- Het schrappen van de bepalingen rond de wilsverklaring. Diverse verpleeghuisartsen hebben verklaard dat naar hun beste weten veel demente bejaarden niet ondraaglijk lijden. Om dan van deze artsen te verlangen dat zij desalniettemin ('tenzij er gegronde redenen zijn om dat niet te doen') het leven van hun patiënten beëindigen vanwege een jaren tevoren ondertekende wilsbeschikking gaat veel te ver.
- Opnemen van een extra arts in de toetsingscommissies ter bevestiging van een keuze voor het medisch-professionele regime.
Het euthanasie-debat heeft al zeker 25 jaar geduurd. Laten we het nu alsjeblieft niet overhaast gaan afsluiten met een al te voortvarende wet.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.