*

 
dossier

Archief

Lepel

Anniek van den Brand − 15/07/00, 00:00

Het jaarlijkse bezoek aan de kerk van het verderop gelegen Brabantse dorp Handel riep iedere keer weer gemengde gevoelens op. De fietstocht er naar toe was lang voor onze korte beentjes. En ik kon maar niet begrijpen waarom Maria er niet op toe zag dat het die reis eens een keer niet plensde. Dat leek mij, midden in de zomer, nou niet teveel gevraagd. De hele toer, inclusief broodtrommeltje achterop, was tenslotte om Haar begonnen.

Handel, dat was iets aparts. Op de plek waar de kerk stond, was ooit de Heilige Maagd verschenen.

Hoe dat er dan uit had gezien, wilden mijn zusjes en ik weten. Volgens mijn vader -en als iemand het kon weten dan was hij het, volgens ons- was ze ineens opgerezen boven een dot wolken met achter haar een gouden krans van zonnestralen. Vanaf haar middel was ze zichtbaar geweest. En doordat ze haar blauwe jurk aan had en die witte doek over heur haar, wist iedereen uiteraard meteen met welke heilige ze van doen hadden. Bovendien, kapte mijn vader ons gevraag af, als Maria aan je verscheen, dan wíst je gewoon dat Zij het was. Punt.

En dat begrepen wij. In ons huis, bij oma en in de kerk, of Ze nou op een schilderij stond, van plastic, gips of steen was, wij herkenden ons Maria inderdaad uit duizenden. Dus als ze ineens boven een wolk hing, dan moest het ook lukken.

Na de mis, waarin wij het hele repertoire aan Marialiedjes vrolijk meezongen, troonde mijn moeder ons met vaste tred mee naar het park achter de kerk. We kenden dit ritueel maar al te goed, het was de jaarlijkse en onvermijdelijke gang naar een fonteintje bij een grote boom waaraan een, ooit geëmailleerde maar nu verroeste soeplepel hing.

Was mijn moeder thuis altijd de properheid zelf en ging ieder gevallen snoepje zonder pardon de vuilnisbak in, in Handel liet ze al haar huishoudprincipes varen. De smerige lepel, die we zojuist nog in de mond van een oude man zonder gebit hadden zien verdwijnen, werd volgeschept met het gewijde water. Handig kneep ze onze neus dicht zodat onze monden vanzelf opengingen en goot alle heiligheid met een vloeiende beweging naar binnen. ,,Zo, daar word je groot van.''

De enige reden dat ik niet de benen nam zo gauw mijn moeder me richting parkje duwde, was een niet tanende, vurige hoop. üls Maria haar verschijntruc nog eens zou herhalen, zou dat vast niet gewoon bij ons thuis achter de kerk zijn, maar hier. En met zo'n lepel naar roest smakend, maar gewijd water achter de kiezen, voelde ik mijn kansen stijgen.

Van de heiligenbeelden die het park achter de Handelse kerk bevolken, kan ik me niet erg veel herinneren. Behalve dan dat je je behoorlijk kon bezeren aan die blokken beton. ,,Kijk nou eens voor je.'' Vóór me kijken? Zul je net zien. Verschijnt Zij in levende lijve minzaam glimlachend boven de wolken, sta ik naar zo'n stenen replica te staren. Echt iets voor mij. En ik wist niet hoe het met het geduld van de Hemelse Moeder gesteld was, maar ik stelde me er net zoiets bij voor als dat van míjn moeder. En dan bleef ze dus niet zo heel lang boven die wolk hangen.

Maria is nooit aan me verschenen, alle sloten Handels wijwater ten spijt. De hoop op een wonder vervloog. Maar soms, als de zon alleen als een stralenkrans vanachter een wolk zichtbaar is, kijk ik nog een keer extra om.

mailIcon print |