*

 
dossier

Archief

Hier begint de hel al op aarde

Ton Crijnen − 17/01/00, 00:00

In de sloppenwijken van Port-au-Prince, hoofdstad van Haïti, staan temidden van alle vuilnis en ellende tientallen schooltjes. Opgestart door een pater uit Nederland vullen ze de educatieve leemte op die de overheid uit een mengeling van gemakzucht, desinteresse en geldgebrek heeft laten ontstaan. ,,Bij ons krijgen de kansarmen toch een kans.''

Twee magere honden vechten grommend om het kadaver van een kat. Kinderen met van oedeem opgezwollen buikjes speuren in de afvalbergen naar bruikbare spullen. Vrouwen wassen hun voeten in het open riool. Een lijk wordt op een plank afgevoerd. En overal is er die weeïge stank, dat nooit ophoudende lawaai, die zinderende hitte. Zelden lijkt het bestaan uitzichtlozer dan in deze beerput vol ellende, aan de rand van de hoofdstad van Haïti, Port-au-Prince.

CiteïSoleil, zonnestad, heet het gebied. Een naam waar het cynisme van af druipt. In werkelijkheid is dit een van de ergste krottenwijken ter wereld. Op een zompig stuk drooggelegd moerasgebied proberen tweehonderdduizend mannen, vrouwen en vooral veel kinderen in leven te blijven. Op elkaar gepakt in een gebied van amper vijf vierkante kilometer.

Er is geen stromend water of rioleringssysteem, alleen open greppels vol vuilnis en uitwerpselen. In de regentijd lopen de meeste sloten over. Dan spoelt een golf van goor water, modder en stront door de rijen lemen en plaatijzeren hutten die met stukken plastic en karton zijn verstevigd.

Dat driekwart van alle aandoeningen in de wijk, cholera voorop, rechtstreeks met de slechte hygiënische toestanden samenhangen hoeft niemand te verbazen. Menig kind sterft er voor zijn vijfde jaar, weinig ouderen halen hun zestigste.

,,Voor de mensen hier is de hel al op aarde begonnen.'' De uitspraak komt van Damien Gijsbrechts (52), een flegmatieke Vlaming die sinds 1985 op Haïti werkt en qua kleding (open hemd, slobberbroek) noch gedrag ook maar enigszins voldoet aan het clichébeeld dat velen bij ons nog steeds van 'de missisonaris' hebben. Gijsbrechts was eerst hoofd van een school voor beroepsonderwijs en is nu algemeen manager van een groot project dat zijn orde, de paters salesianen, in de sloppenwijken van Port-au-Prince heeft opgezet: 190 schooltjes met 900 leerkrachten - meest eigen kweek -, 450 man administratief personeel en 26.000 leerlingen.

Kosten (omgerekend): een kleine drie miljoen gulden per jaar. Daarvan neemt de Haïtiaanse overheid zegge en schrijve twee procent voor haar rekening. De rest komt vooral van weldoeners en donateurs in Europa en de VS (76 procent) en van organisaties als Misereor, Bilance en Terre des hommes (21 procent).

Ook de ouders moeten bijdragen. In westerse ogen weinig, maar voor de meesten is het een zware last. Waar dan nog eens geld voor boeken en voor het schooluniform bijkomt.

Alle leerlingen krijgen elke ochtend en middag een gratis maaltijd (aangevuld met schoolmelk uit Nederland). Voor velen het enige voedsel van die dag. Maar als de Europese Unie en anderen niet met geld over de brug komen zal het kosteloos eten en drinken snel tot het verleden behoren.

Gijsbrechts: ,,We kunnen tot het eind van deze maand nog warme maaltijden verstrekken en wat het ontbijt betreft tot juni. Als er dan geen nieuwe fondsen zijn aangeboord is het 'einde verhaal.'' Naar de oorzaak van de teruglopende hulp gevraagd legt hij uit: ,,Sinds de val van de Muur geeft West-Europa er de voorkeur aan het eigen oostelijke deel eerst te helpen. En dus schiet er voor ons minder over dan vroeger.''

Elke ochtend staan op het grote plein van het centrale scholencomplex aan de Boulevard J. J. Dessalines in Port-au-Prince honderden kinderen in het gelid terwijl de nationale tweekleur wordt gehesen. Vervolgens zingen ze het volkslied en is er gebed. Daarna marcheert iedereen af naar de leslokalen. Sommigen letterlijk op een slof en een ouwe voetbalschoen.

,,Ons doel is'', vertelt Damien Gijsbrechts, ,,leerlingen zelfdiscipline en het begin van een nationaal saamhorigheidsgevoel bij te brengen. Dat ontbreekt hier. Logisch, in een land waar zeven op de tien mensen er alleen aan denken hoe ze in vredesnaam ook deze dag weer heelhuids en zonder al te veel honger kunnen doorkomen.''

De salesianen op Haïti streven er naar kansarme jongeren een morele, intellectuele en handvaardige vorming te geven die hen sociaal en geestelijk weerbaar maakt. Ze krijgen een aaneenschakeling van vormingskansen: lager onderwijs, beroepsonderricht, middelbaar onderwijs, pedagogische academie. Mogelijkheden tot een fatsoenlijke educatie die het merendeel van hun leeftijdgenoten in Haïti missen.

Pater Gijsbrechts: ,,Sinds Baby Doc (Duvalier jr.) veertien jaar geleden moest vertrekken is het onderwijs aantoonbaar verslechterd. En dat was toch al niet om over naar huis te schrijven. Volgens de wet moet ieder kind tussen zijn zevende en dertiende jaar verplicht naar school. In werkelijkheid volgt slechts veertig procent lager onderwijs. Geen wonder dat meer dan de helft van alle Haïtianen analfabeet is.''

De regering, meldt ook Andries de Blaeij, laat zich aan het onderwijs niet veel gelegen liggen. De Nederlander Blaeij (44) is directeur van Parole et Action, een protestants-christelijke hulporganisatie. Hij vertelt: ,,Vooral op het platteland loopt het niet best. Men heeft daar fors gebrek aan leerkrachten. En voor zo ver die er al zijn, worden ze slecht betaald, zijn ze daardoor matig gemotiveerd, blijken ze dikwijls niet-gekwalificeerd. Overheidscontrole ontbreekt. Gevolg: de prestaties van de meeste leerlingen zijn matig. Het aantal half-analfabeten is groot.''

Slechts ééntiende van alle scholen zijn staatsscholen. De rest is particulier en daarom onbetaalbaar voor de grote meerderheid van de ouders. Reden waarom Parole et Action aan tienduizend kinderen eten, leerboeken en uniformen verstrekt. Ook geeft men bijscholing aan leraren en leraressen.

De Blaeij meent dat dit uitstekend past binnen de filosofie van zijn organisatie: de bevolking financieel, materieel en organisatorisch een duwtje in de rug geven, waarna ze haar ontwikkeling zelf ter hand moet nemen. Want: ,,Het is hun land en hun toekomst.'' Daarom zit er binnen drie jaar - ,,zeker weten'' -ook een Haïtiaan op zijn stoel. ,,Haïti moet snel op eigen benen staan.''

Dat vond een halve eeuw geleden de Limburger Laurent Bohnen ook al. Deze pater salesiaan, inmiddels om gezondheidsredenen terug in Nederland, startte in 1954 het scholenproject dat door ordegenoot Damien Gijsbrechts samen met Haïtianen (priesters en leken) wordt voortgezet.

De 'kleine scholen van pater Bohnen' zijn in de sloppenwijken van Port-au-Prince inmiddels een begrip. Temidden van alle geweld, ontreddering, armoede, honger en onverschilligheid vormt dit netwerk van kleuter-, lager- en beroepsonderwijs een oase van rust, regelmaat en compassie.

De betrokkenheid van ouders wordt gestimuleerd door hen intensief over de leerprestaties van hun kinderen en de gevolgde en onderwijsmethodes te informeren. Dat gebeurt op wekelijkse vergaderingen (elke zondag) waar sociologen en onderwijsspecialisten informatie verstrekken en hulp geven.

Bij ons bezoek aan een kleuter- annex lagere school in Cité Soleil zegt een zwarte begeleider trots: ,,Hier heb ik op school gezeten.'' Inmiddels heeft hij een vaste baan, wat weinig bewoners hem kunnen nazeggen. Bewijs dat educatie loont.

Hoewel...Jean-Jacques is van huis uit econoom. In een land als Haïti een studie waarmee je uit de voeten kunt, zou je zeggen. Niets blijkt minder waar. J. J. zit sinds zijn afstuderen aan een universiteit in Flordida zonder werk. Al zes jaar. Hij probeert als schoenpoetser de eindjes aan elkaar te knopen, wat slecht lukt. Hij is verbitterd. ,,Rot toch op, man! Diploma's zijn bij ons geen flikker waard.'' Als hem de uitspraak van zijn eigen president wordt voorgehouden dat kennis macht betekent, gaat hij van pure woede over op het creools: ,,Ay koule twompe solï men li pa twompe lali - het lekkende huis kan de zon voor de gek houden, maar niet de regen''.

Voor nadere informatie: Stichting Don Bosco Amersfoort, 033-4943544.

mailIcon print |