Twee lijntjes tekent het bureau Trendbox in één grafiek. De interesse voor ontwikkelingshulp neemt de laatste tien jaar af en de Nederlander kijkt steeds vaker naar de beurskoersen. Dat is het spanningsveld waarin de Stichting Max Havelaar momenteel opereert, zo openbaart Trendbox.
De boodschap van Trendbox aan de eerlijke handelsbeweging is niet vrolijk. De grenzen aan de groei van handel onder keurmerk is bereikt, zo lijkt het. De Nederlandse consument let eerder op de eigen gezondheid en het nabijgelegen milieu dan op het belang van de boer in een arm ontwikkelingsland.
Ongetwijfeld is de vaststelling van Trendbox dat de interesse voor ontwikkelingshulp tanende is, juist. Even juist is de constatering dat de beurskoersen zich in toenemende aandacht mogen verheugen. Echter, dat er een oorzakelijke verband bestaat tussen beide trends, valt te bestrijden. En die suggestie wordt wel gewekt als beide tendensen in één grafiek worden geplaatst. Groen beleggen - aandacht voor het milieu - heeft in zeer korte tijd een redelijke mate van populariteit gekregen. Vrijwel elke zichzelf respecterende bank heeft in navolging van de ideële Triodosbank wel een groenfonds in de aanbieding. Milieubewust zijn en aandacht voor beurskoersen laten zich dus wel degelijk combineren. Het bewijs dat aandacht voor ontwikkelingshulp en beurskoersen niet te combineren valt, moet nog geleverd worden.
Uit de grafiek van Trendbox kan wel worden afgeleid dat de eerlijke handelsbeweging een trend heeft gemist. Beleggen in eerlijke handel is nauwelijks mogelijk en dat terwijl er wel degelijk goede rendementen te behalen zijn. Zo onderhandelt de hulporganisatie Solidaridad momenteel met een partij over de verkoop van tien procent van de aandelen in Agrofair. En het laatste bedrijf - dat de Oké-banaan op de Nederlandse markt heeft geïntroduceerd - is inmiddels in korte tijd 15 miljoen gulden waard geworden. De opbrengst van de verkoop wil Solidaridad besteden aan het optuigen van een eigen kledinglijn. De verkoop van de aandelen Agrofair is nodig, omdat de traditionele geldschieters risicovolle, maar potentieel succesvolle projecten als de kledinglijn, nog mijden. Wat in de sector nog ontbreekt is een aansprekend 'derde wereldfonds'. Een participatiemaatschappij die kapitaal aantrekt voor projecten in ontwikkelingslanden.
Een logische verklaring voor het ontbreken van een dergelijk initiatief ligt besloten in de verkokering van de Nederlandse hulporganisaties. Vrijwel alle organisaties, zoals het interkerkelijke ICCO, het katholieke Cordaid en de onafhankelijke Novib hebben in hun projecten aandacht voor de economische situatie waarin de groep die zij helpen verkeert. Vrijwel elke hulporganisatie zoekt via eigen kanalen naar middelen om economische projecten te financieren. Nog te weinig wordt het eigen erf verlaten om gezamenlijk producten te vermarkten. Solidaridad probeert dat nu wel te doen door biologische katoen af te nemen van ICCO-partners in Peru en dat te combineren met katoen uit Benin, een land dat door Ecooperation wordt bediend. Maar van een overkoepelend organisatie in de sector die kijkt naar voor export belangrijke producten is het nog steeds niet gekomen.
Minister Herfkens heeft Foster Parents Plan Nederland (FPPN) inmiddels toegevoegd aan de vier organisaties die overheidsgeld mogen gebruiken voor ontwikkelingsprojecten. Maar met FPPN is feitelijk niets nieuws toegevoegd aan het zogeheten medefinancieringsprogramma. Het toevoegen van een organisatie die geheel gericht is op het leggen van relaties tussen producentengroepen in ontwikkelingslanden en consumentenmarkten in het rijke westen, was een betere optie geweest. Alleen heeft de sector zelf Herfkens een dergelijke organisatie nog niet kunnen aanbieden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.