Op de drempel van een nieuwe eeuw kampt Nederland massaal met psychische nood. Zullen psycholoog, psychiater en psychotherapeut ons er doorheen weten te slepen? Deel 4 in een serie over ontredderd Nederland:
Hij krijgt nu de Nederlandse sporters die naar Sydney gaan in zijn spreekkamer. ,,Ja, want ze worden zo langzamerhand zenuwachtig. Ik had ze liever wat eerder gehad.'' De klanten van sportpsycholoog Jan Looman - 'adviseur en coach' - zijn niet allemaal topsporter. Er zitten ook managers bij, en medisch specialisten. Maar ze hebben allemaal iets gemeen: ,,Het zijn mensen die iets neerzetten.''
Dat moeten we allemaal, als je de tijdgeestproevers mag geloven. De komende jaren ben je competitief, of je bent nergens. Looman weet wat voor soort mensen dan winnen.
,,Je hebt twee soorten. De eerste groep bestaat uit heel gezonde mensen, lichamelijk, maar ook mentaal. Die vinden het leuk om hun beste beentje voor te zetten. Daar ben ik soms wel jaloers op. Ze zitten goed in hun vel, ik kan ze hoogstens wat helpen met de emoties om te gaan, met het presteren in een stadion met tien- of twintigduizend mensen.''
De tweede groep is niet om jaloers op te zijn: ,,Dat zijn de mensen die 'zo nodig moeten'. We kennen ze allemaal wel. Er zit iets dwangmatigs in. Daarmee ga ik uitpluizen wat er gebeurd is. Soms zie je dat er veel doorzetters in de familie zitten: vader en opa waren ook al zo. Maar je ziet ook vaak dat zo iemand vroeg in zijn leven schade heeft opgelopen. Bijvoorbeeld: vader is vrachtwagenchauffeur en veel van huis, moeder doet naaiwerk en is ook veel op pad. Het is thuis zó ongezellig, dat zo'n jongen liever op de stoep ging zitten. Als er dan in de buurt een boksschooltje is, en hij wordt daar opgenomen door een vaderlijke trainer... die is daar natuurlijk niet meer weg te slaan, die traint zich een slag in de rondte.''
,,En zo'n jongen kan in zekere zin een heel goede topsporter worden, maar hij zal altijd afhankelijk blijven van die ene trainer, dat zit in zijn kop geprogrammeerd, dat hijzelf niet belangrijk is. En daardoor is het onwaarschijnlijk dat hij kampioen wordt. Hij moet minder afhankelijk worden van die persoon.''
In het bedrijfsleven kom je dezelfde gemakkelijke winnaars en de dwangmatige scoorders tegen. Maar of je nu medelijden met ze hebt of niet, het zijn wel degenen die op de werkplek kwamen bovendrijven in de jaren negentig. Want scoren moet.
,,Ja, helaas. Het is verschrikkelijk. En ik had dat niet verwacht. Ik had gedacht dat we, na de omwenteling van de jaren zestig en de verzakelijking van de jaren tachtig, weer naar nieuwe verbanden zouden gaan zoeken. Die heeft een mens nodig, we hebben het genenmateriaal van 15 000 jaar geleden, we willen in groepen verkeren en ons veilig weten. Dat we ons nu nog steeds in de richting van individualisering en verzakelijking bewegen, vind ik heel vervelend.''
Vervelend is het vooral, doordat volgens Looman de neiging tot groepsvorming dan maar op een andere manier een uitweg zoekt. ,,Hooligans zijn heel instinctmatig bezig. Managers voelen dat gemis aan een sociaal verband net zo goed, die zijn ook onzeker en eenzaam. En dan worden ze lid van de Rotary. Dat is iets verschrikkelijks natuurlijk, die gaan dan samen pannenkoeken bakken voor Rwanda.''
Waar je je ook weer even lekker-in-de-groep van voelt: pesten. Volgens Looman is het een modern verschijnsel: ,,Ik heb het aan een heleboel ouderen gevraagd, maar pesten op het werk kwam vroeger nauwelijks voor. Op school ook niet. Pesten is hét kenmerk van een ontwricht sociaal systeem.''
Maar wat is die ontwrichting nou precies? Looman heeft het zien gebeuren in wat tot voor kort zijn woonplaats was, Rijen. ,,Daar zijn ze al tientallen jaren druk bezig de industrie eruit te gooien. Vroeger kwam je op de fiets naar je werk, daarna kon je naar het café. Nu werk je ergens anders, winkelen doe je maar in Breda. Waar je elkaar dan nog tegenkomt, ik weet het niet.''
Op het internet misschien. Het kan, beaamt Looman. Zijn eigen zoontje besteedde tot voor kort drie kwartier per dag aan het online spel Diabola. ,,Hij had daar een clan gevonden waarin hij samenwerkte. Maar er kwam ruzie, en op een dag was die groep voor hem niet meer zichtbaar. Hij kwam huilend beneden. Zoiets neem je mee als een draai om de oren. Vroeger in een dorp overkwam je zoiets niet, want je wist: daar moet ik over dertig jaar ook nog mee werken.''
Maar misschien moet het toch maar zo, en slagen nieuwe generaties erin hun sociale verbanden op te bouwen met mobiele telefoon en internet, aangevuld met namaak-kennissen in soapseries en openbare woonhuizen in Almere. Het zal wel moeten. ,,Want met Rijen wordt het natuurlijk nooit meer wat.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.