Aan de vooravond van het drama van Srebrenica, op 4 juli 1995, formuleerde het kabinet het 'Toetsingskader uitzending militaire eenheden'. Wanneer onze politici de daarin genoemde criteria ook maar enigszins serieus hadden genomen, was er tot uitzending van Dutchbat nooit besloten. Op 4 juli stelde het kabinet eigenlijk in algemene termen vast dat Dutchbat nooit in Srebrenica had moeten zijn.
Men kan dit nauwelijks nog de ironie van de geschiedenis noemen. Het vrijwel samenvallen van beide gebeurtenissen duidt eerder op de schizofrenie van de politiek. Nu kan men tegenwerpen dat het toetsingskader in juli 1995 als mosterd na de maaltijd kwam. Het besluit tot uitzending was immers anderhalf jaar eerder genomen. Dit argument overtuigt niet echt. De belangrijkste criteria voor uitzending waren al veel eerder geformuleerd en waren bovendien zo redelijk en vanzelfsprekend dat zij, ook als zij niet expliciet waren vastgelegd, het denken van onze politici zouden hebben moeten sturen: een zinnig politiek doel dat in beginsel militair uitvoerbaar moet zijn, adequate uitrusting van de militairen, een transparante commandostructuur. Ook in de jaren voor Srebrenica zal geen politicus ontkend hebben dat deze en dergelijke overwegingen een hoofdrol bij de uitzending moeten spelen.
Het schizofrene is nu dat bij de aanloop naar Srebrenica deze overwegingen nauwelijks een rol hebben gespeeld. In 'From indifference to entrapment', verplichte kost voor ieder die iets van de Nederlandse politiek wil begrijpen, toont dr. Norbert Both aan dat de deelnemers aan de besluitvorming zich door andere overwegingen lieten leiden. Kamerleden eisten dat 'er iets gedaan moet worden' zonder zich af te vragen wat er gedaan zou kunnen worden. Ambtenaren probeerden in het besluitvormingsproces de positie van hun eigen afdeling te versterken. Ministers vochten voor de specifieke belangen van hun eigen ministerie.
Het ongestuurde activisme van de kamerleden werd versterkt door het ministerie van buitenlandse zaken, dat er uiteindelijk in slaagde de terughoudendheid van het ministerie van defensie en de legertop te breken. De voorstelling van zaken die het D66-kamerlid Jan Hoekema tegenover de commissie-Bakker gaf, als zou Buitenlandse Zaken de trigger happy lui van Defensie hebben moeten afremmen, wordt door Both ontzenuwd. Het omgekeerde was het geval. Dat is des te pijnlijker omdat dezelfde Hoekema, als directeur van de afdeling Politieke VN-zaken, een essentiële rol heeft gespeeld in het uitmanoeuvreren van Defensie. De commissie-Bakker beschikte over het manuscript van Both. Merkwaardig genoeg maakte voorzitter Bakker (ook D66) van deze kennis geen gebruik om Hoekema nader over zijn beweringen aan de tand te voelen, hetgeen in het beste geval wijst op een gebrekkige voorbereiding en tekortschietende dossierkennis.
Het rapport van de commissie-Bakker zal ongetwijfeld tot nadere verfijning van het bestaande Toetsingskader oproepen. Dat de schizofrenie tegelijk ook wordt verdiept, blijkt uit het rumoer rond een eventuele uitzending van mariniers naar Ethiopië. Geen van de voor de hand liggende vragen is tot nu toe beantwoord. Uit het Toetsingskader: ,,In het algemeen geldt dat conflicten of crises binnen Europa allereerst aandacht verdienen. Dit neemt niet weg dat Nederland met soms relatief weinig middelen een belangrijke bijdrage kan leveren''. Relatief weinig middelen? Met zo'n 500 mariniers wordt Ethiopië een van de grootste Nederlandse uitzendingen ooit. Overigens komt het Nederlandse prestige als zodanig niet voor als criterium. Wat niet is, kan nog komen. Het is kennelijk heel naïef om te denken dat het bij dergelijke uitzendingen gaat om een bijdrage aan de internationale vrede en veiligheid.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.