*

 
dossier

Archief

Bestuurlijk Nederland is hard aan nieuwe verhoudingen toe

redactie politiek − 18/01/00, 00:00

,,We hebben in Nederland een vreselijke reputatie waar het gaat om de uitvoering van dit type voorstellen. Er moet nu maar eens iets gebeuren. We leven inmiddels in een nieuwe eeuw.''

Voor de Groningse staatsrechtgeleerde prof.mr. D.J. Elzinga en (de meerderheid van) zijn commissie is het duidelijk: Nederland moet stappen zetten naar een anders ingericht lokaal bestuur. En daarbij hoort een andere aanstelling van de burgemeester.

In het rapport dat de commissie presenteerde staan daartoe voldoende voorstellen, meent zij. Ze behelzen voor een deel het vastleggen van de praktijken die de afgelopen decennia al het lokaal bestuur zijn binnengeslopen en voegen daar deels wat aan toe.

Zo vindt de commissie dat in de wetgeving moet worden vastgelegd, wat in veel gemeenten al praktijk is: het college bestuurt en de gemeenteraad controleert. Voor die controle op het doen en laten van b. en w. moet de raad meer mogelijkheden krijgen. De commissie denkt aan het recht van enquête zoals ook Eerste en Tweede Kamer dat hebben en aan het instellen van gemeentelijke rekenkamers, vergelijkbaar met de Algemene Rekenkamer voor de rijksoverheid.

De nieuwe bestuursverhoudingen in de gemeente hebben gevolgen voor de positie van de wethouder. De commissie vindt dat iemand met een wethouders portefeuille niet tegelijk gemeenteraadslid kan zijn. Wie in de raad wordt gekozen en vervolgens de benoeming tot wethouder aanvaardt verliest 'van rechtswege' het raadslidmaatschap. Ook mogen ze geen voorzitter meer zijn van de raadscommissie die zich speciaal met hun portefeuille bezighoudt.

Of de wethouders lid blijven van de raadsfractie van de partij waarvan ze lid zijn, is geen zaak voor de wetgever. Maar de commissie vindt zelf dat dat niet meer past in de nieuwe verhoudingen. Verder mogen volgens de commissie ook mensen die niet in de raad zijn gekozen wethouder worden.

Voor de burgemeester ziet de commissie ook een nieuwe rol. Hij moet veel meer de eenheid van het collegebeleid bewaken, meer invloed krijgen op de collegevorming (nu moet hij afwachten wat hij krijgt en hoe lang het duurt) en de bevoegdheid krijgen voorstellen te doen als zaken tussen de portefeuilles van meer wethouders blijven hangen.

Bij die sterkere rol hoort ook een andere manier van aanstellen, vinden de leden van de commissie-Elzinga, minus de VVD'ers daarin. Vooruitlopend op wijziging van de Grondwet wil de commissie dat de gemeenteraad één kandidaat voordraagt, die net als nu wordt benoemd door de Kroon. In gemeenten met meer dan 50000 inwoners moet die ene burgemeesterskandidaat die door de raad wordt voorgedragen het resultaat zijn van een burgemeestersstemming. Daarbij legt de raad minstens drie kandidaten aan de bevolking voor. Wie de meeste stemmen vergaart, wordt voorgedragen.

Na wijziging van de Grondwet wil de commissie in meerderheid rechtstreeks burgemeesters laten kiezen in de vier grote steden. Steden met meer dan 50000 inwoners moeten de keuze krijgen: direct verkiezingen, of de voordracht van één kandidaat die het resultaat is van een burgemeestersstemming. Dat laatste staat wil de commissie ook bij steden met minder dan 50000 inwoners.

Met deze drie varianten moet zo'n jaar of tien worden geëxperimenteerd. Daarna worden keuzen gemaakt. Dat burgers gedurende de experimenteerperiode in verschillende gemeenten verschillende rechten hebben, vindt Elzinga acceptabel.

,,Een proeflokaal'', noemt hij die fase.

mailIcon print |