Onvruchtbaarheid is een wereldwijd probleem, waarmee naar schatting 50 tot 80 miljoen mensen kampen. Acht tot twaalf procent van de paren is onvruchtbaar; voor Nederland ligt dit cijfer rond de negen procent (CBS, 1998).
Dit zal in de nabije toekomst waarschijnlijk nog toenemen, verwachten onderzoekers. Zij zien daarvoor twee belangrijke oorzaken: het uitstelgedrag van vrouwen die, vooral in westerse en 'verwesterende' landen, steeds later kiezen voor het moederschap en dan soms merken dat het niet meer lukt. En de seksueel overdraagbare aandoeningen (soa) in westerse én niet-westerse landen, die tot onvruchtbaarheid kunnen leiden. Geslachtsziekten als gonorroe en syfilis komen wel steeds minder voor, maar de virale soa's, die niet te genezen zijn, zoals herpes en aids, hebben zich gestabiliseerd op een vrij hoog niveau. Ook chlamydia veroorzaakt nog altijd vele tienduizenden nieuwe infecties per jaar in Nederland. In ontwikkelingslanden liggen deze cijfers veel hoger.
Zal met de onvruchtbaarheid ook de vraag naar kunstmatige bevruchtingstechnieken toenemen? Al zouden ze willen, de meeste landen zullen die vraag met nee moeten beantwoorden, omdat zij domweg niet beschikken over onze peperdure, hightech voortplantingsmethoden. Toch voorziet ook in het rijke Nederland de Gezondheidsraad voor de komende vijf tot tien jaar niet zo'n sterke toename van de vraag, dat het nodig wordt gevonden om een extra ivf-kliniek te openen.
Kunstmatige bevruchtingstechnieken als ivf zijn soms een uitkomst, maar de behandelingen zijn tevens ingrijpend, duur, belastend voor paren en niet zonder risico. Betere preventie van problemen als soa's en uitstelgedrag van vrouwen zijn over de gehele linie efficiënter.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.