*

 
dossier

Archief

Een killer gedood

Abe de Vries − 17/01/00, 00:00

Het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag hoeft zich over één Servische oorlogsmisdadiger niet meer druk te maken. Arkan, oftewel Zjelko Raznjatovic, de leider van de beruchte Tijgers is vermoord. Drie schoten maakten zaterdagmiddag een eind aan het leven van deze 'psychotische massamoordenaar', zoals de VN hem noemt.

Zjelko Raznjatovic, bijgenaamd Arkan, viel hetzelfde lot ten deel als de duizenden Kroaten en moslims die door zijn eigenhandig getrainde militie, de beruchte Tijgers, tussen 1991 en 1995 werden gedood en vermoord. Zoals die bejaarde vrouw in de Noord-Bosnische stad Bijeljina. Haar ogen waren uitgestoken, midden op straat was ze als oud vuil achtergelaten. Of zoals die moslimsoldaat, in hetzelfde Bijelina, ook op straat gevonden. Zijn schedel was met een bijl gespleten. Foto's van de slachtoffers van Arkans strooptochten in Bosnië zijn in het bezit van het Joegoslavië-Tribunaal in Den Haag, dat hem in 1997 aanklaagde wegens oorlogsmisdaden.

Raznjatovic werd op 17 april 1952 geboren in het Sloveense Brezice als zoon van een Joegoslavische luchtmachtkolonel van Montenegrijnse afkomst. Op zeventienjarige leeftijd draaide hij al de gevangenis in wegens diefstal. Daarna keerde hij Joegoslavië de rug toe om zijn geluk in West-Europa te beproeven. In de jaren zeventig en tachtig liet hij een spoor van roof- en bankovervallen achter. Verschillende keren werd hij gearresteerd en veroordeeld. Niet alleen in Nederland was hij toen een goede bekende, ook in België en Duitsland. Steeds wist hij op spectaculaire wijze te ontkomen. Op 7 mei 1981 brak hij uit de Bijlmerbajes. Ook ontsnapte hij dat jaar uit een zwaarbewaakte ziekenhuiskamer in Frankfurt. Met zijn meer dan veertig valse paspoorten kostte het hem weinig moeite om de politie van zich af schudden.

Volgens berichten zou Arkan in de jaren tachtig als huurmoordenaar hebben gewerkt voor de Joegoslavische geheime dienst. Het communistische bewind zou hem hebben ingeschakeld om geëmigreerde dissidenten, voornamelijk Kroaten en Albanezen, uit de weg te ruimen. Zijn naam is ook genoemd in verband met de moord op een Kroatische directeur van een benzinemaatschappij, Stjepan Djurekovic. Naar verluidt stond Raznjatovic in de jaren tachtig onder bescherming van Stane Dolanc, destijds een van de hoogste functionarissen van de Joegoslavische communistische partij.

Toen Slobodan Milosevic in 1987 de macht in Servië overnam, wisselde de criminele geheime agent van patroon. In Belgrado begon hij een ijssalon vlakbij het stadion van de fameuze voetbalclub Rode Ster. Hij wierp zich op als leider van de supportersvereniging en verzamelde zo enkele honderden getrouwen om zich heen. De Servische hooligans zouden de harde kern vormen van zijn Tijgers.

In 1990 zagen veel Serviërs een oorlog met Kroatië als onvermijdelijk. De Servische minderheid in Kroatië zou worden uitgeroeid net als in de Tweede Wereldoorlog was geprobeerd, werd gedacht. Vrijwilligers konden zich op verschillende plaatsen in Belgrado melden voor een van de vele paramilitaire milities die werden opgericht. Sommige ontstonden spontaan, in andere milities was de hand van Milosevic te zien.

Arkan, die dat jaar enige tijd in Kroatië gevangen had gezeten wegens wapensmokkel, begon met het organiseren van zijn Tijgers in de aanloop naar de voetbalwedstrijd Rode Ster - Dynamo Zagreb. De match werd gespeeld in mei 1990, een dag na de verkiezingsoverwinning van de Kroatische nationalist Franjo Tudjman. De dertigduizend Kroaten in het stadion schreeuwden 'Srbe na vrbe': Serviërs aan de boom!

,,Ik heb van een handjevol losgeslagen supporters een machtige en gedisciplineerde militaire eenheid gemaakt, die vol trots ons volk in Kroatië en Bosnië heeft verdedigd'', prees hij later zijn mannen. Zijn Tijgers (officieel Servische Vrijwilligersgarde) werden bewapend en van passende kleding voorzien door het Servische ministerie van binnenlandse zaken. De militie kon lange tijd beschikken over een eigen trainingskamp op een voormalige politiebasis in het Oost-Slavonische Erdut. Raznjatovic heeft altijd volgehouden dat zijn eenheid onder commando van het Joegoslavische leger opereerde.

Volgens Kroatische bronnen en mensenrechtenorganisaties maakten de Tijgers zich voor het eerst schuldig aan oorlogsmisdaden in de Oost-Slavonische dorpen Sodolovci, Dalj en Koprivna. In november 1991 nam de militie deel aan de belegering van de stad Vukovar. De troepen van Raznjatovic zouden, in samenwerking met het Joegoslavische leger, meer dan 250 Kroatische mannen uit een ziekenhuis in Vukovar hebben gehaald en bij een boerderij buiten de stad hebben doodgeschoten. Later zijn op die plek tweehonderd lijken opgegraven. Op een door de Tijgers gemaakte videofilm is te zien hoe Raznjatovic in Vukovar arriveert in een militaire jeep. Een officier van het Joegoslavische leger groet hem.

Voor de Serviërs buiten Servië - 'ons volk aan de overkant van de rivier Drina' - was hij de nationale held, die hen bevrijdde uit de klauwen van de ustasha en de moedjahidien. Voor Kroaten en moslims, zijn slachtoffers, was hij een massamoordenaar. In 1992 werd zijn groep in Oost-Bosnië ingezet. De Tijgers knapten het vuile werk op voor het Joegoslavische en later het Bosnisch-Servische leger. Ze veroverden een reeks dorpen en steden, vermoordden onschuldige burgers, joegen de moslimbevolking op de vlucht, roofden alles wat ze konden dragen en staken de rest in brand.

,,Wilde honden'', zo noemde Raznjatovic de Bosnische moslims in een interview. Hij was een van de pioniers van de etnische zuiveringen, zoals die door de Serviërs werden uitgevoerd.

Een Amerikaanse fotograaf, Ron Haviv, ontmoette hem in Bijelina. ,,Hij was charmant, zeer slim, maar buitengewoon kwaadaardig'', zei Haviv. ,,Een egotripper met een babyface die zichzelf als de redder van het Servische volk zag.'' In februari 1995 huwde hij de in Servië populaire zangeres Svetlana 'Ceca' Velickovic - een 'sprookjeshuwelijk' dat op verschillende tv-stations in Servië live werd uitgezonden. De bruidegom benadrukte zijn Servische nationalisme door zich voor de gelegenheid te steken in het uniform van een maarschalk uit het royalistische Servische leger van voor 1918.

Hij had toen de top van zijn populariteit al achter zich. Serviërs uit Servië hebben hem minder bewonderd dan Serviërs van elders. Van de glansrijke politieke carrière die hij voor zichzelf had uitgestippeld kwam niets terecht. Met steun van Milosevic werd hij in 1992 parlementslid (afgevaardigde van Kosovo), maar een jaar later kreeg zijn Partij van Servische Eenheid bij de verkiezingen geen enkele zetel, ondanks een peperdure campagne.

Het is niet duidelijk of Raznjatovic later, toen de oorlog in Bosnië was afgelopen, bij Milosevic uit de gratie is gevallen. Hij behoorde tot de 'inner circle' en wist veel. Vanaf 1996 werd een aantal criminelen die nauw bij hem en andere paramilitaire leiders waren betrokken door onbekenden vermoord. Een van hen was Nebojsa Djordjevic, een voormalige kolonel van de Tijgers. Sommige waarnemers in Servië vermoeden dat de Joegoslavische geheime dienst achter de moorden zat.

Oppositieleider Zoran Djindjic meent dat Arkan werd gevraagd de demonstraties tegen Milosevic van 1996 te verstoren. Hij zou dat hebben geweigerd. Maar hij bleef zich bewegen in de kleine kring vertrouwelingen rond de president die zich bezighielden met de zwarte handel in Servië. Hij was betrokken bij illegale valuta-handel, wapen- en brandstofsmokkel, bezat een bakkerijketen, een voetbalclub (FC Obilic) en was mede-eigenaar van het Grand Hotel in Pristina. Hij gold als een van de rijkste, zo niet de rijkste zakenman van Servië.

Voor de oorlog in Kosovo - 'het Servische Texas', zoals hij het noemde - zou hij zijn Tijgers opnieuw hebben opgetrommeld. De paramilitairen hadden volgens westerse inlichtingendiensten een trainingskamp ten noorden van Kosovska Mitrovica en hebben volgens Albanese getuigen geopereerd in Pec, Prizren, Velika Krusa en Djakovica. Bewijs hiervoor is nog niet op tafel gekomen. Toen de Britse minister van buitenlandse zaken Cook eind maart zei dat Raznjatovic en zijn Tijgers in Kosovo waren gesignaleerd, bleek de militieleider zelf in Belgrado te zijn. Hij bracht veel tijd door in het Hyatt Hotel, in de wetenschap dat de Navo dit gastverblijf van buitenlandse journalisten zou sparen.

Nu zijn bloedige saga een bloedig slot heeft gekregen, wordt in Servië druk gespeculeerd over de motieven achter de moord. Politici van de oppositie, zoals Djindjic en Draskovic, zien de liquidatie van Raznjatovic als het zoveelste voorbeeld van Milosevic' nietsontziende binnenlandse terreur. Milosevic zou zenuwachtig zijn geworden na onbevestigde berichten, vorig jaar, dat Raznjatovic zichzelf had willen melden bij het Joegoslavie-Tribunaal. ,,Als Arkan besluit om naar Den Haag te gaan om een deal te sluiten, is dat zeer opmerkelijk'', zei een redacteur van radio B2-92. ,,Milosevic zou zeker bang worden.''

De aanslag kan ook een maffia-afrekening zijn. Servische maffiosi die de laatste jaren uit het buitenland zijn teruggekeerd (de zogenoemde Vozdovacki clan), zouden met Raznjatovic in botsing zijn gekomen. De Britse Sunday Times berichtte gisteren dat Raznjatovic mogelijk een conflict had met de Albanese drugsmaffia. Een getuige van de moord heeft gezegd dat een van de aanvallers iets in het Albanees schreeuwde toen hij wegvluchtte.

Na de Navo-aanvallen zou Raznjatovic hebben geprobeerd de drugsroute van Kosovo, Albanië en Macedonië via Servië af te snijden. Of misschien, zelfs dit wordt geopperd, hebben de financiers van de twee grote Belgradose voetbalclubs Rode Ster en Partizan opdracht gegeven voor de liquidatie. Raznjatovic en zijn FC Obilic werden uit die hoek recentelijk beschuldigd van omkoping.

Zeljko 'Arkan' Raznjatovic zal niet meer terechtstaan voor zijn gruwelijke misdaden. Van hem hoort het Joegoslavie-Tribunaal niets over de verantwoordelijkheid van Milosevic voor de oorlogsmisdaden op de Balkan. Eens gevraagd of hij niet bang was voor de dood, antwoordde hij: ,,Zoals iedereen heb ik maar één leven. Ik ben in veel moeilijke en gevaarlijke situaties geweest. Het is mijn lot.'' Toen in 1996 een hoge Servische politiefunctionaris werd vermoord, volgens sommigen door Milosevic' geheime dienst, vroeg een journalist hem of hij nu aan de beurt was. ,,Als het zo moet zijn, zal het zo gebeuren'', zei hij.

mailIcon print |