In de zomer van 1980, toen de benen nog wilden, heb ik er nog eens drie gemaakt voor Ons Nederlands Journalistenelftal tegen de Oostenrijkse voetbalvakbroeders. We wonnen met 6-3, wat een knappe uitslag was, want bij de tegenstander deed oud-Feyenoorder Franz Hasil mee. We speelden in Karinthië, te Klagenfurt. Twee andere goals werden gemaakt door een beroemde collega van dagblad, weekblad, radio en tv. Het was een mooie dag, de erewijn werd stevig ingenomen en we waren wég van Karinthië. Vandaag de dag zou ik natuurlijk een daad stellen. Skiën kan ik niet, schaatsen ook al niet, maar een journalisten-interland in Karinthië spelen? Neen! Een principieel standpunt zou ik innemen. U weet wel waarom. Heerlijk, zo'n standpunt.
Medio november 1984 moest het Nederlands Journalistenelftal weer in Oostenrijk spelen. Toen in Wenen. Ik was opnieuw opgesteld, maar haakte af. Vijftien jaar later durf ik te openbaren waarom ik mijn collega's indertijd in de steek liet. Het was echt veel te koud. Het vroor een graad of tien, er stond een snijdende oostenwind en zelfs in mijn dikke jas langs het lijntje, met mijn voorgewende kwetsuur, was het niet te harden. Voor mijn gevoel is het nadien nooit meer kouder geweest. De wedstrijd duurde gelukkig niet lang. De beroemde collega van dagblad, weekblad, radio en tv kreeg het als bijna altijd tijdens journalisteninterlands spoedig aan de stok met de scheidsrechter. Het ging om een uitbal, de twist liep bijzonder hoog op. De arbiter keek er toch al niet bij alsof het de mooiste dag in zijn loopbaan was en nu kreeg hij zomaar te horen dat hij 'een vuile nazi' was. Tsja. Staken natuurlijk. De scheids had tranen in de ogen. Want: ,,Ich war im Wiederstand!'' Die tegenwerping maakte weinig indruk, Wij hadden immers recht op die uitbal. Trouwens, in Nederland riep na de oorlog ook iedereen dat hij in het verzet had gezeten, nou, dat namen we toch ook met een korreltje zout?
Gek is dat toch; dat je je van de nasleep van zo'n onbenullig wedstrijdje zo veel kunt herinneren. Ineens had iedereen in ons kamp het niet meer op Oostenrijkers. We gingen in debat met allerlei Oostenrijkse collega's. Of die lui nog wel wisten wat hun vieze, vuile internationals in de lente van 1957 bij De Slag van het Prater allemaal hadden geflikt tegen Oranje? Roel Wiersma was er met zijn hoofd op de betonnen rand van de sintelbaan gesmeten! Roel had er de beroemdste hersenschudding van de jaren vijftig aan overgehouden. Zou onze Jan Klaassens nooit doen. En hun spits, Robert Dienst, die noemde men De Lama, want Dienst liep iedereen al in het gezicht te spugen, toen onze Franklin Edmundo Rijkaard nog geboren moest worden.
Wat een elftal, Oostenrijk. Was kandidaat voor de wereldti tel op het WK van 1938 in Frankrijk, maar bestond ineens niet meer, omdat een man of vijf ging meespelen in het elftal van Duitsland. Overlopers. Behalve eentje dan. Die ene was Matthias Sindelar, in Europa de beste voetballer van de jaren dertig. De kunstzinnige Matthias was een held van het Weense publiek. Hij weigerde te spelen in het Groot-Duitse elftal. Met zijn vrienden sprak hij vaak over de ramp die de nazi's aan het ontwikkelen waren. Bij niet al te veel mensen vond hij gehoor. De wondervoetballer werd gezegd dat hij leed aan zwaarmoedigheid en dat hij de hulp van een psychiater moest inroepen. Dat deed hij niet. In het eerste oorlogsjaar koos Sindelar vrijwillig voor de dood. In het nieuwe Oostenrijk wilde hij niet meer leven.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.