Het gaat niet zo slecht met de Nederlandse film als veel critici beweren. Dat is een van de conclusies van cultuursocioloog Bart Hofstede. Hij promoveert vandaag op de identiteit en organisatie van de Nederlandse film sedert 1945. ,,De overheid moet vooral de nationale cinema stimuleren. Internationale distributie moet je niet willen'', aldus Hofstede.
Filmmakers zoeken volgens hem te veel naar internationale triomfen. Ze zouden zich meer op een eigen filmmarkt moeten richten. De Nederlandse film wordt steeds vaker bezocht, en ook het succes van Nederlands televisiedrama en telefilms wijst op een bescheiden maar kansrijke toekomst voor de vaderlandse film.
Zelden is de filmkritiek positief over Nederlandse films, constateert Hofstede. En uit de filmwereld komen vrijwel uitsluitend klachten over geldgebrek en slechte werkomstandigheden. ,,Daarmee wordt de Nederlandse film geen recht gedaan.
Internationaal succes kan alleen worden bereikt via de twee mondiale filmliga's: Hollywood en zijn tegenhanger, de grote filmfestivals. Hofstede: ,,Met Hollywood moet een Nederlandse filmmaker niet willen concurreren. Het heeft bijna nooit succes, soms een beetje, zoals 'Amsterdamned'.'' Op grote festivals slaan de Nederlandse producties ook niet echt aan. ,,Tot nu toe zijn de grote festivals zoals die jaarlijks in Venetië, Cannes en Berlijn worden gehouden, voor de Nederlandse film van weinig betekenis geweest. Nederland viel vooral in de prijzen in de genres jeugdfilm en -in de jaren zestig- door de documentaires van Bert Haanstra.''
,,Internationale distributie is van secundair belang'', aldus Hofstede. De Nederlandse filmmaker moet het vooral zoeken in de 'nationale cinema'. Hofstede: ,,De term zelf roept te veel vervelende associaties op, zoals wapperende vlaggen. Maar het gaat me om speelfilms waarin wordt uitgegaan van een specifiek Nederlands verhaal. Deze films doen het goed in de bioscopen en op de Nederlandse televisiezenders.'' Zijn eigen favorieten zijn 'De illusionist' van Jos Stelling en 'De Poolse bruid' van de Nederlands-Algerijnse regisseur Karim Traïdia.
De laatste decennia is de overheid een steeds actievere rol gaan spelen bij de promotie van de Nederlandse film. En met enig succes, aldus Hofstede. Maar: ,,De overheid is nog steeds beslist niet gul. De overheid zou de 'lokale levendigheid' meer moeten stimuleren. Pas als een levendige Nederlandse productie op gang komt, kan er een soort 'humuslaag' onstaan waaruit internationaal talent kan opbloeien. Zoals Lars von Trier in Denemarken.''
Tijdens Hofstede's onderzoek riep de overheid een nieuwe regeling in het leven, waardoor zowel grote buitenlandse beleggers als Nederlandse particulieren in de Nederlandse fimindustrie kunnen investeren. Hofstede: ,,Het is een mooie industrie om in te investeren. Een bloeiende filmindustrie is niet alleen goed voor het culturele leven, maar ook voor de economie. Bijvoorbeeld voor de werkgelegenheid.''
Hofstede denkt met zijn proefschrift in een belangrijke leemte te voorzien; er is nog nauwelijks onderzoek verricht naar de geschiedenis van de Nederlandse film. Hij promoveert aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, vijf dagen voor de opening van de 29ste editie van het succesvolle Filmfestival in deze stad.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.