Nederland kan niet vol genoeg!'' Onder deze uitdagende titel houdt Theo Leers, econoom aan de Katholieke Universiteit Brabant een pleidooi in Economisch Statitische Berichten (ESB) van 21 januari vóór een voortdurend grote immigratie van jonge volwassenen uit landen met lage lonen.
De instroom van steeds nieuwe jeugdige immigranten zorgt dan ,,voor een verbreding van de premiegrondslag en dus voor een hoge pensioenuitkering voor de dan levende ouderen.'' Daarmee zouden de komende AOW-problemen vanwege de straks snel en sterk toenemende vergrijzing kunnen worden opgelost.
Het artikel van Leers berust op een bijdrage van Assaf Razin en Efraim Sadka aan het Journal of Public Economics (1999, blz. 141-150). Volgens het door hen ontwikkelde model leidt een steeds groter aantal immigranten tot steeds meer welvaartswinst, vooropgesteld dat het geboortecijfer van de migranten gelijk is of wordt aan het cijfer in het nieuwe land en de nakomelingen van de immigranten dezelfde scholingskansen als de autochtonen hebben.
De meeste mensen zullen hier wat bedachtzaam van worden. Sommigen zullen zelfs ronduit schrikken. Willen we met ons allen wel steeds meer nieuwe jeugdige arbeidskrachten uit lage-lonen-landen? Is een voldoende percentage van vorige immigratiegolven wel behoorlijk geïntegreerd in Nederland en in het arbeidsbestel? Is een redelijk percentage van de immigranten hier wel gelukkiger geworden dan zij in het land van herkomst vermoedelijk geworden zouden zijn? Allemaal vragen die eerst beantwoording behoeven, alvorens we ons illusies gaan maken over welvaartswinst door steeds nieuwe immigratiegolven.
Hoe lossen we dan het probleem op van de snel en sterk stijgende kosten van de vergrijzing? Al vaak is erop gewezen dat Nederland een zeer groot potentieel aan zeer goed opgeleide, capabele en stipte arbeidskrachten heeft die niet of nauwelijks betaalde arbeid verrichten. ,,Nederland is huisvrouwenland'' in vergelijking tot omringende landen. In de Europese Unie hebben alleen Portugal en Ierland nog minder betaalde arbeidsuren per (gehuwde) vrouw per jaar dan Nederland. Het ligt dus voor de hand de deelname aan betaalde arbeid van (gehuwde) vrouwen (met kinderen) minder af te remmen dan in Nederland nu nog geschiedt.
,,Huisvrouwen zijn duurder dan U denkt'', schreef ik op de Podiumpagina van 18 januari. Vervolgens heb ik aangegeven dat er nagenoeg concensus in dit land bestaat over de wenselijkheid dat een ouder/de moeder deels thuis kan blijven om voor de kinderen te zorgen, maar dat er zelden of nooit bij wordt stilgestaan dat het de kostwinner is die profiteert van alle verlichtingen, tegemoetkomingen en vrijstellingen voor zijn huisvrouw, ook als er geen kinderen (meer) zijn en de kostwinner alle lasten en kosten voor zijn huisvrouw heel goed zelf kan dragen. Het gaat mij er dus eerder om dat mannen met huisvrouw profiteur zijn dan dat de huishoudpartners zelf dat zouden zijn, zoals sommigen lezers op de Podiumpagina van 26 januari mijn artikel interpreteerden.
Blijkens de lezersreacties op 26 januari kost het mensen moeite onder ogen te zien dat huisvrouwen/huishoudpartners de gemeenschap veel geld kosten. Maar ik had geschreven dat de meerderheid van de Nederlandse bevolking wel graag één van de ouders/de moeder -deels- thuis ziet, als er nog kinderen thuis zijn. Me dunkt, dat is toch niet al te radicaal.
De term 'huishoudpartner', die veel lezers blijkens hun reacties als denigrerend ervoeren, is in regerings- en parlementaire stukken al meer dan twintig jaar geleden ingeburgerd geraakt. 'Huisvrouw of -man' klinkt wat moeizaam. Bovendien wordt daarmee toch nog een suggestie gewekt van gehuwd zijn, terwijl ook buitenhuwelijkse tweerelaties moeten worden geregeld door de wetgever.
Ik wijs er hier nog met klem op dat het Nederlandse sociale zekerheid en belastingstelsel mannen een gigantische voorsprong geeft op de arbeidsmarkt. Zij kunnen straks meestal over een huishoudpartner beschikken, vrouwen vrijwel nooit. Het is dus niet alleen in het belang van onze arbeidsmarkt en van de toename van het aantal premiebetalers terwille van onze AOW, wanneer meer vrouwen betaalde arbeid gaan verrichten, het is ook in het belang van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in Nederland.
De markt is keihard. Komen de Nederlandse vrouwen de arbeidsmarkt niet op, dan worden wel jeugdige arbeidskrachten uit lage-lonenlanden gehaald. In de jaren zestig was er ongeveer hetzelfde alternatief. Terwijl Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen pleitte voor hogere lonen voor onaangenaam ongeschoold werk, is toen zonder nadenken gekozen vóór het laaghouden van de lonen en het binnenhalen van arbeidskrachten uit Turkije en Marokko. Velen van hen en hun kinderen hebben het uitstekend gedaan in Nederland, maar de bezwaren die verbonden kunnen zijn aan immigratie van mensen die niet van zins zijn in het nieuwe land te integreren, zijn nu wel voldoende bekend.
Tijden veranderen. Vrouwen hebben gemiddeld nog maar 1,6 kind tegenover 3,8 vóór 1965. Dat vrouwen/ouders voldoende tijd opeisen om hun kind(eren) op kosten van de gemeenschap goed te verzorgen en op te voeden is vers één, maar om bij het huwelijk voorgoed de arbeidsmarkt te verlaten, terwijl die om je zit te springen, dat lijkt me uit de tijd.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.