Jaarlijks gaat er zo'n tien miljoen overheidsgeld naar de politieke partijen. Tot voor kort schreef Binnenlandse Zaken voor hoe die dat moesten verdelen: zoveel naar het wetenschappelijk instituut, zoveel naar opleiding en vorming, zoveel naar de jongerenorganisatie.
Voor de verkiezingen mochten ze geen subsidie gebruiken. Omdat het rijk geen propaganda wenst te betalen, moesten ze de campagne bekostigen uit de andere financieringsbron, de contributie van leden.
Dat uitgangspunt is gehandhaafd in de nieuwe wet op de subsidiëring van politieke partijen, die sinds half mei geldt. Er is een aparte regeling voor wetenschappelijke instituten en de jongerenorganisaties. Verder krijgen de partijen geld voor de politieke scholing en vorming, voor informatievoorziening aan de leden, het onderhouden van contacten met zusterpartijen in het buitenland, voor politiek-wetenschappelijke activiteiten en voor activiteiten ter bevordering van politieke deelname van jongeren. De partijen mogen bepalen hoe ze het geld over die posten verdelen. De hoogte van de subsidie is afhankelijk van het aantal zetels dat de partij in de Tweede Kamer heeft. Om voor subsidie in aanmerking te komen moet een partij minimaal duizend betalende leden hebben.
De wet verbiedt sponsoring niet. Wel moeten politieke partijen giften van instellingen en organisaties van meer dan 10000 gulden melden in hun jaarverslag.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.