'Meneer Walser, in uw toespraken bent u altijd zo vooruitstrevend, maar in uw romans helemaal niet', zei een vrouw ooit tegen de Duitse schrijver Martin Walser. 'Ik zei dat de romans waarschijnlijk meer van mij bevatten dan de toespraken. Sindsdien heeft zich in mij een soort wantrouwen tegen meningen ontwikkeld.'
De gedachten die je vanzelf door het hoofd gaan zijn andere gedachten dan degene die je kunt oproepen. Als je jezelf dwingt aan iets te denken, of als je er van buitenaf toe wordt gebracht, toe wordt aangespoord om ergens aan te denken, dan vindt dit denken meestal plaats in de taal waarin ook in de buitenwereld wordt gesproken over datgene waaraan je moet denken.
De zinnen die mij onwillekeurig door het hoofd gaan, horen thuis in een heel andere taal dan de zinnen die mij van buitenaf worden aanbevolen of opgelegd. Ik geloof dat schrijvers wanneer zij schrijven geheel en al zijn gebonden aan deze onwillekeurig in hen opduikende taal. Die beheersen ze niet, maar als ze geluk hebben worden ze door haar beheerst.
Toen ik eens in München een rede hield tegen de Duitse instemming met de Amerikaanse Vietnamoorlog, zei een toehoorster tijdens de discussie: Meneer Walser, in uw toespraken bent u altijd zo vooruitstrevend, maar in uw romans helemaal niet. Ik zei dat de romans waarschijnlijk meer van mij bevatten dan de toespraken. Sindsdien heeft zich in mij een soort wantrouwen jegens meningen ontwikkeld. Dat wil niet zeggen dat ik het bij het schrijven van artikelen en toespraken zonder meningen had kunnen stellen, of het nu zonder meningen zou kunnen stellen. Het wil ook niet zeggen dat ik anderen, bijvoorbeeld journalisten, politici of professoren, zou willen bekritiseren als zij zich hoofdzakelijk uitdrukken in meningen, en zich het liefst door meningen van anderen onderscheiden. Het wil alleen zeggen: Ik heb als schrijver ervaren dat mijn meningen minder van mij bevatten dan mijn romans.
Natuurlijk kunnen romanfiguren het niet zonder meningen stellen. Maar alle meningen van al deze figuren tezamen leveren niet de mening van de auteur op. Een roman mag simpelweg niet in een mening resulteren. Dat weet elke romanschrijver, zonder dat hij hoeft te weten dat hij het weet. Zelfs een toneelstuk mag niet in een mening resulteren. En - zou ik vandaag wensen - een toespraak of een artikel evenmin.
Ik hoef niets te vertegenwoordigen. Ik hoef niemand te verlichten behalve mijzelf. 'Verlichting' en 'verlicht', dat zijn twee woorden die heel vaak moeten dienen om intellectuele talen als de correcte taal te karakteriseren. De intellectueel die zonder zweem van twijfel weet dat zijn schrijven een verlichtend effect heeft, bewijst dat meestal door een andere intellectueel ervan te beschuldigen dat diens schrijven in strijd is met de verlichtingsgedachte. Kan het iemand dan nog verbazen dat verlichting tegenwoordig altijd op anderen is gericht? Dat is gewoonte geworden: zichzelf als dienaar van de verlichting te zien betekent anderen zeggen wat zij behoren te weten of ter harte moeten nemen.
Oorspronkelijk was verlichting niet het verwijt dat anderen te weinig aan verlichting doen. Bij Kant vinden we immers de beroemde uitspraak: ,,Van verlichting is sprake wanneer de mens zich ontdoet van de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft.'' En: ,,Voor deze verlichting is niets anders nodig dan vrijheid (...).'' Daarin zie ik eerder een zelfonderzoek dan het beleren van anderen.
Kant noemt als een doel van de verlichting dat de mensen 'in godsdienstaangelegenheden hun eigen verstand zelfbewust en goed kunnen gebruiken, zonder leiding van iemand anders'. En een vorst kan als verlicht gelden, zegt Kant, als hij iedereen vrijlaat om 'in alles wat een gewetenskwestie is, zijn eigen verstand te gebruiken'. Eens was dát verlichting - men kan het zich niet vaak genoeg inprenten: de ander 'in alles wat gewetenskwestie is' vrij te laten om 'zijn eigen verstand te gebruiken'. Ondertussen hebben linkse intellectuelen de verlichting gereserveerd voor hun eigen boodschappen, die steeds worden bepaald door de tijdgeest van het moment. De rest is dan anti-verlichting.
In 1972 heb ik de volgende woorden uitgesproken: ,,De fundamentele tegenspraak tussen kapitaal en arbeid is nog even onopgelost als vroeger.'' Zonder het toentertijd expliciet te zeggen voelde ik mij ongetwijfeld in dienst staan van de verlichting. Tegenwoordig zou ik deze zin niet meer uitspreken. Zij zou mij niet meer bevatten. Ik geloof dat zulke uitspraken ook toen al weinig van mijzelf bevatten. Tegenwoordig vertrouw ik erop dat deze manier om kapitaal en arbeid tegenover elkaar te stellen van meet af aan te abstract was. Misschien had zij in de 19de eeuw meer zin dan in de tweede helft van de 20ste. En alles wat ik in dit opzicht kan bedenken, rechtvaardigt slechts het gebruik van zulke 'misschien'-zinnen, en geen alomvattende verdenking. Louter door het hebben van een mening een goede indruk op mezelf maken, dat zou vandaag de dag voor mij niet meer voldoende zijn.
Ik weet nog waarom ik destijds voor antikapitalistische formuleringen koos. Ik zag mezelf - en wel uit een slecht geweten - als 'arbeider in de meningenproduktie'. Deze pretentie - of deze poging bij anderen in het gevlei te komen - kwam voort uit de ervaring van afhankelijkheid. Dat de intellectueel geen 'vrije' auteur is of, beter gezegd, dat de vrije auteur afhankelijk is - van de markt, van de uitgever, van de publieke opinie -, dat zou ik nu nog steeds kunnen zeggen. In 1972 heb ik gezegd dat wij, omdat we afhankelijk zijn, 'de taak hebben voortdurend het democratisch tekort te verkondigen'. ,,Het tekort is nog steeds groot en fundamenteel'', heb ik gezegd. ,,Met deze of gene kleine, kosmetisch-pragmatische ingreep is het niet verholpen.'' Heb ik gezegd. ,,Socialisme en democratie zijn twee woorden'' voor een ,,denkbare thuishaven''. Heb ik gezegd. En ik heb me uitgesproken tegen de 'mythe van de onveranderlijkheid' en vóór 'de maakbaarheid van de menselijke geschiedenis'.
Je zou alles wat iemand, wat velen in die tijd hebben gezegd met één enkel woord in verband kunnen brengen: gerechtigheid. Meer gerechtigheid. Op werkdagen. En de belangrijkste voorwaarde voor de doordeweekse ongerechtigheid was en is volgens mijn ervaring de afhankelijkheid. Afhankelijkheid deformeert.
Als ik doorkrijg hoe ik, zonder opzet, een roman schrijf over de door afhankelijkheid veroorzaakte deformatie, dan merk ik dat dit onwillekeurige schrijven méér van mijzelf bevat dan wanneer ik meningen in mezelf mobiliseer tegen het kapitalisme, als oorzaak van deformerende afhankelijkheid. En al valt het niet te bewijzen, ik kan hopen dat dit geschrift, dat meer van mijzelf bevat, ook anderen meer te vertellen heeft dan welke mening ook.
Vanuit mijn huidige standpunt gezien heb ik vroeger uit een slecht geweten deelgenomen aan een taal waarin ik niets anders had te melden dan een verlangen naar gerechtigheid. Dit verlangen heb ik nog steeds, maar ik kan me niet langer gerechtvaardigd voelen door een taalgebruik dat 'vooruitstrevend' heet te zijn, dus door linkse meningen.
Als ik een roman schrijf over de aanwezigheid van het verleden in het heden, dan bevat de roman des te meer van mijzelf naarmate ik mij bij het schrijven minder voeg naar de verwachte meningen die zich, overeenkomstig de tijdgeest, aan mij opdringen. Romans die zich alleen voegen naar het meningendictaat van de tijdgeest, zouden misschien helemaal niet geschreven moeten worden. Zelfs niet als ze deze verplichte meningen juist bestrijden. Ze hebben eigenlijk geen vertellend maar een illustratief karakter.
Als ik ergens deel aan kan hebben, dan is het alleen aan de verkondiging van gebreken die ik zelf kan helpen opheffen. Dat geldt zelfs nog voor oorlogvoering. Ik kan alleen een oorlog verdedigen die ik als handelend persoon ook zelf zou voeren. Als degene die de bevelen geeft of als degene die ze uitvoert. Wie zegt dat er moet worden geschoten, die moet ook zelf op de knop kunnen drukken waarmee de bom wordt afgeworpen. Maar ik kan het geen intellectueel kwalijk nemen als hij bombarderen nodig acht, en in diepgravende artikelen ten eerste de noodzaak van het bombarderen aantoont, en ten tweede de historische zin van deze vorm van oorlogvoering. Ik moet zelfs op de koop toe nemen dat mijn onvermogen om een oorlogsgezinde mening aan te leveren scherp wordt bekritiseerd.
Iedere schrijver weet zelf steeds het beste hoeveel zijn taal van hem bevat. Een taal die de directiekamers van het kapitalisme zonder meer als verdacht beschouwt of die voor bombarderen pleit, zou mijzelf niet meer bevatten, omdat ik uit ervaring weet dat ik na zo'n verdachtmaking of oorlogspleidooi weer terugkeer naar de roman, en in de taal van de roman, die toch veel meer van mijzelf bevat, zou die verdenking of dat bombarderen helemaal niet voorkomen. Dus moet ik wantrouwig zijn jegens de taal die ik tot toehoorders richt. Die wordt een taal voor optredens. Het tegendeel van zo'n optreedtaal is het zelfgesprek. Hoop ik.
Hoe duidelijker het voor me is dat geen mens van mij te horen zal krijgen wat zich momenteel in mij afspeelt, des te meer is dat wat zich daar afspeelt een zelfgesprek. Ook wanneer deze innerlijke taal aan deze of gene of tegen deze of gene is gericht. In het zuivere zelfgesprek hoef ik geen gelijk te hebben, hoef ik niets te bewijzen, hoef ik mij niet in te spannen om me ondubbelzinnig uit te drukken. Ideaal zou zijn: voor anderen te spreken zoals met zichzelf. Dat zal wel nooit het geval zijn. Je zou ervan kunnen dromen: voor anderen te spreken, maar niet tot hen. De 'adresseertoon' vermijden.
Mij staat voor de geest om het onderscheid tussen beide talen - tussen de taal van het zelfgesprek en de 'geadresseerde' (dat wil zeggen de tot anderen gerichte) taal - tenminste ooit eens te verkleinen. Iedereen kent dit onderscheid, hoop ik. Het zelfgesprek is een vrijere manier van spreken dan de geadresseerde manier. In het zelfgesprek komt men niet tot een mening om die vervolgens, met alle overdrijving, tegen andere meningen te verdedigen. In de geadresseerde taal krijgt vaak al heel snel een kritische mening in mij de overhand. Ik moet alles mobiliseren wat deze kritische mening ondersteunt, alles onderdrukken wat deze mening zou kunnen ondergraven. In de geadresseerde taal beperk ik mij tot zinnen die klinken alsof ik wel eens gelijk zou kunnen hebben. Hoe meer die zinnen gelijkhebberig klinken, des te verder staan ze af van de taal waaraan ik mij in het zelfgesprek overgeef. (...) Het zelfgesprek komt uit mijn innerlijk. Expressie in plaats van inzicht. Existentie in plaats van kennis. Wezen in plaats van weten.
Ik ben er niet zeker van of je ook zou kunnen zeggen: ondergaan in plaats van handelen. Wel als het om iets politieks gaat. De wreedheden van de Kosovo-oorlog ondergaan zonder zich door een of andere mening aan de juiste kant te bevinden. En evenzo als het om het Duitse verleden gaat. Geen kans om zichzelf door fraaie volzinnen tot een beter mens te maken, om met uitspraken de slachtoffers te dienen door goedkope verwijten te maken aan de Duitsers die dat uit schuld of schaamte, of zelfs vanwege morele uitputting, niet meer of nog niet kunnen. Volstrekt goedkoop zijn deze verwijten. Altijd aan anderen. Nooit aan zichzelf. Dat is nu net het kenmerk van de aan anderen gerichte taal. En dat zeg ik in louter geadresseerde taal. Die wordt beheerst door de houding van het gelijk-willen-hebben.
Mijn zelfgesprek verloopt anders. Op geen enkel moment van instemming of afwijzing komt het tot stilstand. Het doorloopt al wat denkbaar is. Graaft diep in het terrein van het immorele, het amorele en daarom ook niet houdbare. En wel bij elk thema en alle feiten. En het kan lange tijd ronddwalen en rondtasten in het domein van het ontoelaatbare, van het niet-meer-billijke, tot het weer een punt bereikt dat geschikt zou kunnen zijn voor publieke uiting.
'Socialisatie', zo noemt men de opvoeding van de mens tot een wezen dat geschikt is voor de omgang met anderen. In het zelfgesprek ervaren we de grenzen en de gebreken van onze socialisatie. 'Socialisatie' wil zeggen dat we geestelijk en psychisch zindelijk moeten worden. We mogen alleen nog denken wat we ook kunnen uitspreken.
Ik heb in de Paulskirche een toespraak gehouden waarover een tijdlang publiekelijk werd gediscussieerd. Het meest heb ik me beziggehouden met degenen die schreven dat ik wat ik heb gezegd niet in de Paulskirche had mogen zeggen. De Paulskirche werd door mij verward met de divan, stond er te lezen. Blijkbaar werd de divan van de psychoanalyticus bedoeld. Na datgene wat ik daar had gezegd, stond er ook, hoorde ik al helemaal op de divan te liggen. Een ander: dat kan hij privé wel denken, maar niet openlijk zeggen.
Het waren vooraanstaande intellectuelen die zo reageerden. In de Paulskirche, een van de meest openbare plekken die er maar zijn, daar behoort men niet te zeggen wat men privé kan denken of op de psycho-divan kan zeggen. Deze mening ben ook ik toegedaan. Maar wat mijn kritici als privé of divanachtig voorkomt, is voor mij mijn persoonlijke taal. Ik weet dat ik mijn taal niet zo tot anderen richt als bij zulke toespraken gebruikelijk is, niet zo als het hoort derhalve. Ik weet ook dat politici en predikanten hun rede strikt tot anderen richten. Ze berekenen het effect ervan. Ze willen in de toehoorder iets teweegbrengen.
Mij is deze houding vreemd. Ik weet uit mijn ervaring als schrijver dat iedere lezer zijn eigen roman leest als hij een roman van mij leest. Ik geloof dat ieder die naar een toespraak luistert deze op zijn eigen wijze begrijpt. Ik wil hem niet overreden de toespraak zo te begrijpen als ik haar bedoel. Dat is de vrijheid tussen mensen die de taal niet gebruiken om elkaar recepten toe te roepen. Hoe iemand mijn toespraak of mijn roman begrijpt moet hij verantwoorden, niet ik. Mij is aangeraden om deze of gene reactie een misverstand te noemen. Dat heb ik moeten weigeren. Ieder heeft de vrijheid om op zijn eigen manier te begrijpen. Het is niet aan mij om hem een manier van begrijpen voor te schrijven. Ik hoef het ook niet eens te zijn met de manier waarop hij mij begrijpt. Elke manier van begrijpen is een bijdrage tot het geheel.
Het mag bij een schrijver verwondering wekken dat hem door andere schrijvers wordt gezegd dat hij privé mag denken wat hij heeft beweerd, maar het niet publiekelijk had mogen uitspreken. Ik heb de stellige indruk dat het een intellectueel onwaardig is om persoonlijk te verwarren met privé. Privé is iets wat discretie verdient. Persoonlijk is mijn aandeel aan het geheel, dus hier: mijn taal. Niets is minder privé dan mijn taal. Mijn persoonlijke aandeel aan mijn taal stemt overeen met mijn ervaring. Maar ik wil niet doen alsof ik in het geheel niet weet wat er met de verwijten werd bedoeld. Het ging om de omgang met het Duitse verleden. Ik wilde publiekelijk spreken over dat wat er in mij gebeurt wanneer ik met dit verleden te maken heb. Publiekelijk spreken voor anderen, maar niet tot anderen. Dus nu juist níet met het publiekelijk in zwang geraakte taalgebruik dat steeds wordt gebezigd als dit thema aan de orde is, maar in een ongewijd, om zo te zeggen ongedoopt taalgebruik.
Dat is een taalhouding die niet geheel en al verschilt van die van de romanschrijver; zij is er in ieder geval meer mee verwant dan met de als instrument gebruikte taal van de politici, de predikanten, de leraren, de journalisten. Het is het onderscheid tussen de geadresseerde taal en de onwillekeurige taal. Het komt me voor dat iemand méér aan zijn eigen ervaringen wordt herinnerd door wat deze onwillekeurige taal uitdrukt, dan wanneer hij alleen maar het idee heeft doel te zijn van een geadresseerde taal. Ik hoop dat, als het lukt iets belangrijks in een onwillekeurige taal te zeggen, de toehoorder een soort vrijheid kan ervaren. Zo zou de discussie een levendigheid kunnen krijgen die door bondspresidenten en professoren met hun enorme ondubbelzinnigheid niet teweeg kan worden gebracht.
Onze ontwikkeling heeft ertoe geleid dat we wat we denken niet altijd meteen hoeven te zeggen, laat staan op te schrijven. Misschien is door dit vermogen om te verzwijgen het geloof ontstaan dat we een vrije wil hebben. Wij doen immers niet altijd meteen wat we zouden willen doen. Of we doen het helemaal niet. Maar is een wil waartegen we 'nee' kunnen zeggen al een vrije wil? We hebben ons vermogen iets anders te kunnen zeggen dan we denken een negatieve lading gegeven. Wat leugen in ons is, en wat waarheid, zouden we ook kunnen uitdrukken door het onderscheid tussen het gezegde en het gedachte, of tussen het zegbare en het onzegbare. We zijn absoluut veeltalig geworden. Dat wat we zeggen niet datgene hoeft te zijn wat we denken zouden we eindelijk eens tot de status van een conventie moeten verheffen. Wat we zeggen is datgene wat we wíllen zeggen. Dat is toch ook al iets. Misschien doen we ons beter voor dan we zijn. Hoe dan ook, zonder het vermogen anders te schijnen dan we zijn, zouden we zeer te beklagen zijn.
De stewardess buigt zich naar de reizigers, biedt allerlei diensten en hulp aan, en toch zie je dat zij de mensen die ze van dienst wil zijn niet waarneemt. Zij is er blijkbaar geheel en al op ingesteld behulpzaam te zijn, te dienen. Haar dienen is niet in 't minst geroutineerd of achteloos of ongeïnteresseerd. Hoewel ze op niemand van haar clientèle persoonlijk is gericht, straalt haar gezicht van vriendelijkheid en warmte. Ze is een genie van de toewijding. Maar omdat het overduidelijk is dat haar toewijding niemand persoonlijk geldt, maar een toewijding zonder meer is, is het derhalve toewijding-op-zichzelf. Dat klinkt paradoxaal. In werkelijkheid is het heel praktisch, heel genietbaar en zelfs heel mooi. Heel mooi om te zien. Zij fluistert mij in: er bestaat een toewijding als monologische toewijding, als zelfgesprek. Zij weet wat ze doet, zij bemerkt waarschijnlijk de dankbaarheid van haar clientèle. Maar ze laat zich daardoor niet van haar stuk brengen, ze waakt ervoor in het persoonlijke verstrikt te raken. Of ze het weet of niet: als ze de mensen zo aankeek dat ze ook hun zweet en hun lotgevallen opmerkte, zou het gedaan zijn met haar nuttigheidsschoonheid.
En tot slot geef ik me nog eenmaal over aan de houding van het zelfgesprek. Dan wordt mij, door God weet wie, ingefluisterd: als je iets te zeggen hebt, moet je niemand anders tegenspreken. Als je zegt wat je te zeggen hebt, ervaar je je eigen grenzen. Je hoeft geen gelijk te hebben. Gelijk hebben - dat is al tegen anderen gericht. Het beter weten dan een ander. Zolang je tot die houding vervalt, ontloop je je eigen taak, je eigen mogelijkheid: te zeggen wat je te zeggen hebt. Ik heb mijn leven als schrijver ook doorgebracht in het wisselvallige klimaat van het gelijk-moeten-hebben. Dat heeft zo zijn gevolgen.
Waarom zijn binnen de taal gedichten het mooiste dat we kennen? Omdat het gedicht niet gelijk wil hebben. Waarom zijn toespraken van politici de matste taaluitingen die we kennen? Omdat de politicus nu juist is aangewezen op gelijkhebben, of liever gezegd op het wekken van de indruk dat hij gelijk heeft. Iedere deelnemer aan het meningenverkeer kent deze dwang. De hinderlijkste vorm van gelijkhebberij is de morele. De indruk te moeten wekken dat je een beter mens bent dan anderen.
Als er iets is dat ik teweeg zou willen brengen, is het het geluk van de zelfweerlegging. Publiekelijk. In het parlement. In de krant. Het zou gebruik moeten zijn, het zou 'cultuur' moeten worden genoemd dat iemand die iets beweert het beweerde ook zelf weerlegt. Alle argumenten die hem te binnen schieten tegen hetgeen hij beweert, dient hij even grondig uiteen te zetten als de bewering zelf. Alsjeblieft geen tongue-in-cheek-ironie. Als hij ons dan overtuigt van de ernst waarmee hij zichzelf weerlegt, en als er toch nog iets overblijft van wat hij beweerd heeft, dan heeft hij ons waarschijnlijk voor zijn bewering gewonnen.
Dat dit ooit in de praktijk wordt gebracht, is in onze omstandigheden niet te verwachten. Niettemin mag het een keer gezegd worden.
Tot jezelf.
Ik zeg tot mezelf: niemand is slechter dan jij.
En zeg erbij: is toch geruststellend.
En zeg erbij: maar ook verontrustend.
Maar niet al te zeer.
Dat is genoeg voor vandaag.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.