*

 
dossier

Archief

Embryo is niet iemand

Guido de Wert − 02/09/00, 00:00

Het menselijk embryo heeft een relatieve beschermwaardigheid. Dat rechtvaardigt onderzoek met embryonale stamcellen onder voorwaarden. In het licht van de wetenschappelijke mogelijkheden zou een moratorium op zulke research snel achterhaald zijn.

De vraag of 'therapeutisch' kloneren mag, is een toespitsing van een bredere discussie: mogen menselijke embryo's in research worden 'verbruikt'? Deze vraag is te meer actueel nu de langverwachte 'Embryowet' binnenkort bij de Tweede Kamer zal worden ingediend. Waar zal het wetsvoorstel de grens trekken? Mag je embryo's gebruiken voor zogenaamde 'niet-therapeutische' research, waarbij het embryo als middel ('instrumenteel') wordt gebruikt voor het verwerven van nieuwe medische of biologische kennis?

Het antwoord hangt af van de 'morele status' van embryo's. De ethicus prof. Jean-Pierre Wils (Podium, 31 augustus) lijkt te suggereren dat 'de ethiek van de Verlichting', samengevat in de opvatting 'dat de complete instrumentalisering van een mens tegen zijn waardigheid indruist', zich in principe tegen embryo-research verzet. Het debat gaat echter juist over de vraag of de 'categorische imperatief' -'gebruik een menselijke persoon nooit louter als middel'- wel van toepassing is op het prille embryo. De (ook in de ethiek) dominante opvatting luidt dat het embryo in zijn hoedanigheid van potentiële -niet: actuele- persoon een relatieve beschermwaardigheid heeft. Zo gezien kan research met embryo's in de fase kort na de bevruchting onder een aantal voorwaarden aanvaardbaar zijn.

In sommige landen mogen (rest-)embryo's alleen worden gebruikt ten behoeve van onderzoek in verband met de voortplanting. De minister van VWS liet in 1995 aan de Tweede Kamer weten dat de regering opteert voor een vergelijkbare regeling. Deze limitatieve lijst ligt echter onder vuur. Zo bepleitte de Gezondheidsraad dat er ruimte zou moeten zijn om bij (rest-) embryo's van enkele dagen oud de embryonale stamcellen (ES-cellen) te isoleren voor onderzoek naar nieuwe vormen van transplantatie ('celtherapie'). Dit pleidooi verdient steun; als het moreel aanvaardbaar kan zijn rest-embryo's te gebruiken om onvruchtbaarheid beter te kunnen behandelen, dan kan dit toch zéker geoorloofd zijn indien research kan bijdragen aan de ontwikkeling van nieuwe therapieën voor ernstige, invaliderende ziekten zoals de ziekte van Parkinson.

Het subsidiariteitsbeginsel eist dat bij de beoordeling van onderzoeksvoorstellen met embryo's wordt bezien of er geen 'embryosparende' alternatieven zijn. Of dit moet leiden tot een moratorium voor onderzoek met ES-cellen, zoals in Podium bepleit door Wils, is echter de vraag. Verdedigbaar lijkt een minder restrictieve operationalisering van het subsidiariteitsbeginsel, die het mogelijk maakt de verschillende alternatieven, inclusief onderzoek met ES-cellen van rest-embryo's, tegelijk te onderzoeken. Los daarvan: hoe lang zou een moratorium moeten duren? Rijst aan de horizon niet steeds een nieuw theoretisch alternatief?

Is ook het doen ontstaan van embryo's uitsluitend ten behoeve van research aanvaardbaar? Een voorbeeld is pre-klinisch onderzoek naar de mogelijke gezondheidsrisico's van het invriezen van eicellen voor het nageslacht. Dit soort onderzoek is niet mogelijk met rest-embryo's; men zal ontdooide eicellen ten behoeve van dit onderzoek moeten bevruchten. De minister van VWS liet eerder al weten dat de regering het doen ontstaan van embryo's voor onderzoek wil verbieden. De vraag rijst: Waarom onderzoek met rest-embryo's onder voorwaarden toestaan en het doen ontstaan van embryo's voor onderzoek categorisch verbieden? Het verschil tussen beide praktijken is betrekkelijk; de betreffende embryo's hebben de zelfde morele status en worden in beide gevallen instrumenteel gebruikt.

Het proportionaliteitsargument dat research met rest-embryo's kan rechtvaardigen, namelijk: 'de beschermwaardigheid van prille embryo's is relatief, en kan worden overspeeld als er grote gezondheidsbelangen mee gediend kunnen worden', biedt tegelijk een rechtvaardiging voor het doen ontstaan van embryo's voor onderzoek, dit uiteraard onder strikte voorwaarden. Eén voorwaarde zou moeten zijn dat het onderzoek niet (goed) mogelijk is met rest-embryo's.

Wat dan te denken van 'therapeutisch' kloneren, gedefinieerd als: het transplanteren van de kern van een lichaamscel van een patiënt naar een ontkernde eicel (celkerntransplantatie) teneinde een embryo te doen ontstaan waarvan de ES-cellen na enkele dagen worden geïsoleerd met de bedoeling deze op te kweken tot transplantaten die (bijna) genetisch identiek zijn aan de patiënt? Het voordeel hiervan zou zijn dat afstotingsreacties worden voorkomen. De bezwaren tegen 'reproductief' kloneren zijn hier niet van toepassing. Het morele probleem is dat therapeutisch kloneren het doen ontstaan van embryo's voor instrumenteel gebruik impliceert. Dit is in het licht van het genoemde proportionaliteitsbeginsel niet a priori verwerpelijk. Het doen ontstaan van embryo's voor onderzoek naar de mogelijkheid van therapeutisch kloneren is echter prematuur. Waarom? Voordat therapeutisch kloneren ooit in de kliniek toegepast zou kunnen worden is uitgebreid wetenschappelijk onderzoek nodig waartoe rest-embryo's gebruikt dienen te worden.

Parallel hieraan moet onderzoek plaatsvinden naar, vooralsnog theoretische, 'embryo-sparende' alternatieven voor therapeutisch kloneren. Te denken valt niet alleen aan het reeds genoemde onderzoek naar de bruikbaarheid van stamcellen van volwassenen. Een tweede alternatief is de zogenaamde 'directe reprogrammering' van cellen van volwassenen, waarbij men, zonder de tussenstap van het maken van een embryo, de differentiatie van de volwassen cel als het ware 'uitwist'. Maar aan de ontwikkeling van dit alternatief hangt een prijskaartje. De Britse celkerntransplantatie-commissie claimt dat het daartoe noodzakelijke inzicht in fundamentele cellulaire processen slechts kan worden verkregen door embryo's te doen ontstaan via celkerntransplantatie. Indien deze claim hout snijdt, en bovendien geschikte alternatieve onderzoeksmethoden ontbreken, kan dergelijk embryo-onderzoek aanvaardbaar zijn. De vraag of therapeutisch kloneren mag, wordt pas acuut indien research met van rest-embryo's geïsoleerde ES-cellen aantoont dat men bruikbare transplantaten kan verkrijgen en, ten tweede, indien 'embryo-sparende' alternatieven voor therapeutisch kloneren minder bruikbaar zijn of langer op zich laten wachten dan men nu hoopt.

Een laatste punt: soms wordt gesteld dat het doen ontstaan van embryo's voor instrumenteel gebruik onverantwoord is omdat dit op gespannen voet staat met de belangen van kandidaat-eiceldonoren: 'deze vrouwen moeten immers een hormoonbehandeling ondergaan -zij worden louter als middel gebruikt'. Wat hiervan te denken? Om te beginnen: men kan een analogie maken met gezonde proefpersonen. Ook deze worden als middel gebruikt -maar niet louter als middel. Waar het om gaat is of het onderzoek een belangrijk doel dient, of de risico's (dis)proportioneel zijn, en of er sprake is van een valide toestemming van de proefpersoon/donor. Dat de risico's van een hormoonbehandeling disproportioneel zijn valt te betwisten. Los daarvan: men kan ook eicellen voor onderzoek verkrijgen zonder dat speciaal daarvoor een hormoonbehandeling nodig is.

Het wetsvoorstel zal ongetwijfeld leiden tot een intensivering van de discussie over embryoresearch. Het is te hopen dat dit resulteert in wetgeving die recht doet aan de beschermwaardigheid van het embryo en tegelijk voldoende ruimte laat voor onderzoek.

mailIcon print |