*

 
dossier

Archief

Liever lui dan moe

Sander Becker − 14/01/00, 00:00

De grootste 'killer' uit de geschiedenis is ongetwijfeld het griepvirus. Met de tientallen miljoenen doden die het de afgelopen eeuw op zijn naam heeft gezet, overtreft het alle Hitlers, Stalins en Milosevicen bij elkaar. En elk jaar slaat het opnieuw toe.

Dit jaar heet het virus A-Sydney, een naam die door veel Nederlandse journalisten wordt omgedraaid. Hij lijkt zich vanuit Engeland te verspreiden, maar Britse artsen wijzen met de beschuldigende vinger naar Australië. Daar, in Sydney, is het virus drie jaar geleden voor het eerst gesignaleerd. Het zou vervolgens met rugbyfans zijn meegereisd naar Groot-Brittannië, van waaruit het alle noordelijk continenten heeft besmet. Nu slaat het voor de tweede maal toe.

Het influenzavirus Sydney is eigenlijk een ordinaire kloon van het Hongkongvirus, dat in 1968 voor het eerst de kop op stak. Destijds had dit virus een indrukwekkende kracht omdat niemand er immuun tegen was. Het raasde binnen een paar maanden over de aardbol, een spoor van slachtoffers achterlatend. Maar inmiddels hebben veel mensen er kennis mee gemaakt. Het veroorzaakt -in licht gewijzigde vorm- alleen nog bescheiden epidemietjes, die hooguit één à twee op de tien mensen vellen. Toch overlijden er elk jaar nog altijd 1500 Nederlanders aan de complicaties, zoals longontsteking en hartfalen.

Het influenzavirus verspreidt zich via uitgenieste of - gehoeste druppeltjes, die met gemak negen meter worden weggeschoten. De ziekteverwekker heeft vervolgens één tot drie dagen nodig om aan te slaan. Dan beginnen de koorts, de rillingen, de spierpijn, de hoofdpijn, de keelpijn en de lamlendigheid. De meeste symptomen houden een week tot tien dagen aan.

Het virus vermenigvuldigt zich in de lichaamscellen aan de binnenkant van de luchtwegen. Daarbij gaan de cellen kapot, de keelwand wordt als het ware geschaafd. Het weefsel is op dat moment een gemakkelijke prooi voor bacteriën, die vaak vlak na het virus hun slag slaan. Dit komt zó vaak voor, dat artsen aan het eind van de negentiende eeuw dachten dat griep door een bacterie werd veroorzaakt. Pas in 1933 is de ware boosdoener gevonden.

In totaal zijn er 14 H's en 9 N's. De natuur zou dus 14 maal 9 is 126 virussen kunnen maken. Toch is de afgelopen eeuw gedomineerd door slechts drie subtypen: H1N1, H2N2 en H3N2. Kennelijk is het virus liever lui dan moe.

De drie dominante subtypes hebben alle op dezelfde wijze toegeslagen: eerst een heftige verrassingsaanval, en daarna nog tientallen jaren nazeuren met een licht gewijzigd H-eiwit. Zo werden we er steeds opnieuw ziek van.

De beruchtste van de drie is de Spaanse griep uit 1918. Destijds eiste het H1N1-virus minstens 20 miljoen levens. Over de aardbol raasden ware 'windvlagen des doods', zoals de gereformeerde voorman Abraham Kuyper het uitdrukte.

Alle influenzavirussen die tussen 1918 en 1957 opdoken, waren verwant aan het Spaanse virus. Vanaf 1957 werd dit succesvolle subtype verdrongen door het H2N2-virus, dat met stip binnenkwam toen het de Aziatische griep veroorzaakte. Na 1968 brak de tijd aan van het dodelijke Hongkongvirus, subtype H3N2. Deze laatste groep, waartoe ook Sydney behoort, waart sindsdien in verslapte vorm rond.

Statistisch gezien heeft het huidige subtype zijn langste tijd gehad, denken veel virologen. Het heeft zijn mogelijkheden om te variëren bijna uitgeput, dus elk moment kan aan het firmament een nieuwe ster verrijzen. Wellicht met eenzelfde uitwerking als de Spaanse griep.

Twee jaar geleden vreesden virologen dat het zover was. In Hongkong was een onbekend vogelvirus gesignaleerd, dat op de mens kon overspringen. Bij de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), die de virussen nauwlettend in het oog houdt, gingen direct de alarmbellen rinkelen. Miljoenen kippen moesten uit voorzorg worden afgemaakt. De maatregel lijkt succes te hebben gehad, want uiteindelijk zijn er slechts zes mensen aan de 'vogelgriep' gestorven.

Deskundigen denken dat zich nooit meer een tweede Spaanse griep zal voordoen. Weliswaar kan nog altijd een fataal virus ontstaan, maar de omvang van de epidemie is waarschijnlijk te beperken met vaccins. Allerlei organisaties, waaronder het Nationaal Influenzacentrum in Rotterdam, rapporteren op gezette tijden aan de WHO welke stammen er circuleren. In februari bepaalt de WHO welke stammen, meestal twee typen A en één type B, in het vaccin komen. En dan maar hopen dat de voorspelling correct was.

Vaccins worden gekweekt in eieren. Dat kost maanden, dus als een onverwacht nieuw virus snel om zich heen zou grijpen, is het voor veel mensen te laat. Het grootste gevaar komt uit China, de plek waar de laatste twee grote epidemieën zijn ontstaan. Zelfs de Spaanse griep is er volgens sommigen begonnen.

Het land is de ideale verspreidingsplaats voor A-virussen, die zich behalve in mensen graag ophouden in pluimvee en varkens. Omdat Chinese boeren vaak tussen hun vee slapen, zijn zij de eerste slachtoffers als er een nieuwe variant overspringt op de mens.

Maar volgens de Rotterdamse viroloog Ab Osterhaus, in deze grieperige tijden bijna dagelijks op de buis, hoeven we niet te vrezen dat de mensheid zal vergaan. In het Algemeen Dagblad zei hij over de mogelijkheid van een mysterieus nieuw virus: ,,Onze genetische variatie, en die van dieren, is vele malen groter dan die van het virus en daarom zullen wij uiteindelijk altijd als winnaar uit de strijd komen.''

mailIcon print |