Het lijkt er wel een gekkenhuis. Sterker nog: het is er een. We staan midden in een kleine, smalle straat. Dante moet dit bedacht hebben. Of Jan Steen heeft dit geschilderd, dat is beter. Ja, Jan Steen. Met tomeloos veel sadistisch genoegen ook nog. Vooral veel lelijke mensen in wielerbroeken, met verbrande hoofden, oranje mutsjes op, schreeuwend, bijna lallend.
Ik kan er maar niet aan wennen en ieder jaar wordt het erger.
In Bédoin staan tienduizenden langs de kant van de weg en dringen op. Raken auto's van volgers aan, lachen hun vunzige opmerkingen de ramen binnen en de Tour-veteranen zijn aapjes geworden (of is het omgekeerd, ik weet het niet meer) en moeten alles maar ondergaan.
Politiemensen hebben al enige tijd geleden besloten dat tegen de massa niet te werken valt en staan ostentatief met hun rug naar het hopeloos vastgelopen verkeer. Duizenden fietsers kringelen zich onhandig langs de auto's. Een vrouw duwt haar fototoestel bij ons tegen het raam en roept met plat Haags accent: 'Lachuhhh'.
In dit stadje aan de voet van de berg waar volgens schatting van de politie 300000 mensen een plaatsje hebben gezocht om 156 coureurs langs te zien komen, wordt het 'gigantisme' van de Tour de France weer eens duidelijk.
Na het dipje van 1998, waar de Tour-directie zich kwetsbaar opstelde maar het grote publiek in Frankrijk zich helemaal niets van alle dopinggebruikers aantrok en Virenque en vrienden harder toeklapte dan ooit, leeft La Grande Boucle weer als nooit tevoren.
Voor eenvoudige volgers is de koers nauwelijks nog op simpele manier te doen. De wegen zitten vol, je komt de steden nauwelijks nog binnen en de tijden van Levitan en Goddet zijn verdwenen. Toen werd de weg eenvoudig afgezet, lang van tevoren en kon iedere volger van start naar finish rijden, weliswaar met ingeperkt risico, maar het kon.
Die logische marsroute bestaat niet meer. Televisiepersoneel slaapt al ver bij de koers vandaan om de volgende dag voor de massa uit naar de finish te kunnen gaan: van enig contact (oog, oor, spraak) met de renners is geen sprake meer.
Televisie-uitzendingen worden heftig lang en iedereen doet mee in deze bijna lemming-achtige beweging. Personeel wordt uitgeput, maar het is als in Hotel California: You can check out any time you like, but you can never leave.
Niemand wil de Tour verlaten. Uitstappen is niet meer bestaan.
Tenminste dat denken we met zijn allen. Op de Ventoux mochten alleen wagens met heel hoge gasten tot vlak onder de top doorrijden. Zij wel. Wij sleepten ons, over scherpe keien, tegen de col op. De laatste 800 meter te voet. Wind tegen. Alles was vol.
In de werkelijk fabuleuze chaos achter de finish, waar vermoeide renners vloekten en tierden omdat ze overspoeld werden door hoog en laag volk, liepen ministers, wereldberoemde zangers en voetbalkampioenen in het gewoel mee. Ze duwden en smeten en hoorden erbij.
Ik moest ineens denken aan een Tour-aankomst van twee decennia geleden. Dries van Agt, de fietsliefhebber van weleer en als het hem uitkwam, bezocht een succesvolle oranje-Tour. Zijn woordvoerder kwam ons van de NOS in de galmende drukte vertellen dat 'meneer Van Agt bereid was een vraaggesprek toe te staan'.
Ik had het toen ook al. Giftig cynisch vroeg ik wat 'meneer Van Agt deze middag dan gewonnen had'.
Mijn woorden werden niet op prijs gesteld.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.