Half maart op de heide - bij het grauwen van de dag, die grijs zal zijn en voorlopig zonder zon. Motregen druizelt neer en mist verhult de vliegdennen in de verte. Bruin, zwart en blond zijn in het vroege voorjaar de kleuren van het Fochteloërveen op de grens van Friesland en Drenthe. We rillen van kou en spanning.
Vreemde geluiden klinken op uit de schemer. Een ver dragend bubbelend koeren, dat aanzwelt tot een geheimzinnig koor. Plotseling luid sissen, dat klinkt als 'woe-sjie...' Daar zijn we voor gekomen. Korhanen bolderen op een vaste plek, waar ze elk jaar terugkeren. Dat doen ze alleen in de vroege morgenuren. Deze onvergetelijke natuurervaring had ik ruim vijftig jaar geleden. Er waren toen nog veel korhoenders. Het aantal hanen in ons land werd geschat op 1500 tot 3000. Na 1960 ging het snel bergafwaarts. Aantallen schatten was toen niet meer nodig. Je kon de vogels tellen. Korhoenders tellen doe je aan de hand van bolderende hanen, want de hennen en kuikens zijn door hun gedrag en schutkleur moeilijk waar te nemen.
De beroemde populatie van het Fochteloërveen telde in 1976 nog 34 hanen, in 1985 geen enkele meer. In 1983 waren er nog maar 79 hanen in heel Nederland, twee jaar later al niet meer dan 60. Ook de korhoenders van het Bargerveen en de Grote Peel stierven uit.
Het korhoen werd een van de kwetsbaarste vogels van de Rode Lijst van bedreigde vogelsoorten. In 1991 was dat een reden voor het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij om het Soortbeschermingsplan Korhoen op te stellen. Dat behelsde maatregelen, die tot een duurzaam leefgebied voor het korhoen moesten leiden, met name een aangepast beheer van heidevelden en aanliggende cultuurgronden, later mogelijk het uitzetten van gekweekte vogels. Maar het uitzetten is zinloos als de leefomstandigheden ongeschikt zijn. En daar komt bij dat ons korhoen genetisch het laaglandkorhoen is. Korhoenders introduceren uit andere delen van Europa bergt het gevaar van genetische vervalsing in zich.
Het is al eerder voorgekomen dat het korhoen teloor dreigde te gaan: in de achttiende eeuw werd op de Veluwe een verbod op de korhoenderjacht ingesteld, omdat men voor uitsterven vreesde. Pas zo'n honderd jaar geleden verbreidde het korhoen zich sterk, toen de arme heidevelden met behulp van kunstmest in cultuur werden gebracht. Het maximum wordt geschat tussen de 5000 en 6000 hanen omstreeks 1940. Toen de naaldhoutakkers de heidevelden sterk verkleinden en de landbouw te grote stukken heide ontgon en ging intensiveren, daalde het aantal korhoenders zienderogen.
Korhoenders leven zomer en winter in hoogvenen en vochtige heidevelden met plaatselijke opslag van berken, dennen en wilgen. Ze eten voornamelijk planten: knoppen en katjes van berken en wilgen, kiemplantjes, blauwe en rode bosbessen en bessen van kraaihei. Heel anders dan de kuikens, die groot moeten worden op klein dierlijk voedsel: rupsen, kevertjes, mieren, spinnen enzo. De hen maakt een nest in hoge hei en ruig grasland. In haar eentje zorgt ze voor haar broedsel. Direct na het uitkomen van de eieren brengt ze haar kuikens naar een plek waar veel insecten te vinden zijn. Voor de kuikens is het van levensbelang dat er kleinschalige akkertjes zijn in de buurt van de broedplaats.
De voornaamste oorzaak van de teloorgang van het korhoen is het verdwijnen van de broedbiotoop. De oppervlakte aan heidevelden van 450.000 hectaren in 1907 daalde tot 42.000 hectaren in 1988. Eind jaren zestig werden de ontginningen grotendeels gestopt, maar er kwamen nieuwe problemen voor in de plaats. De intensieve veehouderij, het verkeer en de industrie veroorzaakten luchtvervuiling, die leidde tot het steeds voedselrijker worden van de heide en tot bodemverontreiniging met zware metalen. Dit verbeterde de concurrentiepositie van grassen zoals bochtige smele en pijpenstrootje ten opzichte van struik-, dop- en kraaihei. Korhoenderkuikens kunnen zich moeilijk verplaatsen in de uitgestrekte smelevelden, die bovendien weinig insecten herbergen.
Het leefgebied van het korhoen is een mozaïek van natte en droge heidevelden, akkertjes, open bossen en verstuivingen, die geleidelijk in elkaar overgaan. De voor het korhoen noodzakelijke afwisseling in de begroeiing is ook verloren gegaan door het grootschalige en intensieve beheer van heidevelden. Te laat is men gaan denken aan extensieve begrazing door schapen en runderen, aan een aanlijngebod voor honden, aan het padenluw maken van belangrijke terreinen en het handhaven van het motorcrossverbod.
In de jaren zeventig omvatte het verspreidingsgebied van het korhoen nog de meeste grotere heidevelden van Oost- en Zuid-Nederland. Die gebieden zijn sterk verbrokkeld geraakt. Veel vroeger vochtige heidevelden zijn in ernstige mate verdroogd door grondwateronttrekking voor industrie en huishoudens en kunstmatige verlaging van het grondwaterpeil in omringende landbouwgebieden.
Vroegere leefgebieden op de Veluwe, in Drenthe, Noord-Limburg en Het Gooi zijn geheel door het korhoen verlaten. In 1991 waren er nog vijf korhoenderterreinen in Noord-Brabant, twee in Salland. Alleen op de Sallandse heuvelrug zijn nog wat korhoenders over. Er is geen enkele reden om optimistisch te zijn: binnen afzienbare tijd zal deze karakteristieke heidevogel uit ons land verdwenen zijn.
Er is maar een conclusie mogelijk: Nederland is te vol voor het korhoen. We kunnen het zwarte heidehoen beter gaan bekijken in Schotland, waar de Britse ondersoort het beter doet dan de korhoenders in de rest van West-Europa.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.