*

 
dossier

Archief

Sint en de secularisatie

Ton Crijnen − 04/12/00, 00:00

Het geloof in Sinterklaas heeft een spiritueel-metafysische dimensie. Vandaar dat het moment waarop blijkt dat zijn bestaan een menselijke uitvinding is, voor sommige vroeg religieus ingestelde kinderen tevens het begin van het einde betekent van hun godsgeloof. Dat stelt Jonas magazine, maandblad voor maatschappij en spiritualiteit.

Het blad laat psychotherapeute Riekje Boswijk-Hummel – what's in a name? – aan het woord. Ze herinnert zich nog "als de dag van gisteren" het ogenblik waarop zij van haar geloof in de Sint én in God afviel: "Ik had als kind een plaatje van God op een wolk. In de Sinterklaastijd zat Sint daar ook bij (...) In één klap werd de hele wolk opgeblazen; de hemelse dimensie verdween: het wonder bestaat niet."

Volgens haar was ze niet de enige die als kind een directe koppeling maakte tussen Sinterklaas en God. Op basis van haar ervaringen als psychotherapeute constateert Boswijk-Hummel: "Veel kinderen doen dat. Dat is niet zo gek, want het zijn allebei bovenwereldse figuren. God zit in de hemel en zorgt ervoor dat het goed gaat met je. Door te bidden kun je vragen of hij iets voor je wil doen. Sinterklaas is een vergelijkbare, bovenaardse persoon. In de beleving van een kind zijn er dus twee typen goden: een Sinterklaas-God en een God-God. Op een zeker moment blijkt de Sinterklaas-God een grapje te zijn. Dan bestaat die God-God ook niet, denk je dan. Je kunt het een geloofscrisis noemen, die later in je leven terug kan komen."

Columniste Elsbeth van De Sleutel, (bisdom Roermond), heeft zo haar eigen manier om met het probleem om te gaan. Na haar dochtertje onthuld te hebben dat niet Sint maar pa en ma al die jaren op 5 december haar schoen met geschenken vulden, ontspint zich bij het zien van het teleurgestelde gezicht van het kind de volgende dialoog: "Zeg", vraag ik, "je weet toch wel dat Sinterklaas écht bestaat hè? Ik bedoel, hij is in de hemel, hij is dus eigenlijk echt."

"Weet ik toch", zegt ze.

"Ja, maar luister nou eens even" zeg ik. "Het zou kunnen zijn dat Sinterklaas daarboven in de hemel op een wolk zit en dat hij in mijn oor fluistert: 'Zeg mevrouw, ik ben bijna jarig en zou graag willen trakteren. Wilt u zo goed zijn om mij daarbij te helpen'. Ik zou natuurlijk antwoorden: 'Met alle genoegen Uwe Heiligheid, vertelt u mij maar wat ik moet kopen voor mijn dochtertje'."

Ze kijkt me ongelovig aan.

"Eh ... zou toch kunnen?", vraag ik verwachtingsvol.

"Ja, mama, als je d'r in gelooft!" zegt ze.

"Dat bedoel ik nou!" is mijn antwoord.

En zo wordt in het Roermondse op typisch roomse manier de secularisatie al in de kiem gesmoord.

Over vieringen gesproken. In Woord & Dienst, opinieblad van de Samen op wegkerken, snijdt Karel Blei, voormalig secretaris-generaal van de hervormde kerk, het fenomeen 'interreligieuze viering' aan. Dit naar aanleiding van het feit dat op prinsjesdag de traditionele interkerkelijke gebedsdienst werd vervangen door een interreligieuze samenkomst van hindoes, joden, christenen én moslims.

Blei stelt de vraag of het beleggen van zo'n viering niet te vanzelfsprekend uitgaat van de veronderstelling dat het in alle betrokken godsdiensten om dezelfde God gaat. "Een christen heeft geleerd te bidden tot God 'door Jezus Christus onze Heer'. Deze bewoording, en de daarin uitgedrukte intentie, kan toch niet naar gelang van de omstandigheden achterwege worden gelaten? Of meent men dat dat wel kan?".

Blei vindt eigenlijk van niet:

"Naarmate wij ons meer bewust zijn van de eigen aard van de christelijke eredienst wordt de mogelijkheid van interreligieuze 'vieringen' problematischer. Een eredienst dient er niet toe, je eigen openheid of vooruitstrevendheid in contact met anders-gelovigen te demonstreren. En zeker lijkt het onjuist om ter wille van een interreligieuze gezamenlijkheid essentiële elementen van het christelijk geloof tussen haakjes te zetten".

mailIcon print |