Op 19 maart 2000 was ik voor de laatste keer in een voetbalstadion, als ik de Amsterdam Arena tenminste zo mag noemen. Ajax was honderd jaar geworden en speelde tegen FC Twente in prachtige kleding uit de jaren dertig. Helaas voor de fans dachten de spelers van Ajax dat het die dag ook de bedoeling was in het tempo van de jaren dertig te spelen. FC Twente, geboren in 1965, deed het in hedendaagse kleren, in een hedendaags tempo en won derhalve bijna moeiteloos van de jongens die door de veel te fanatieke Feyenoord-gelovige Gerard Cox tegenwoordig 'De Zodenzonen' worden genoemd.
In de verse documentaire 'Daar hoorden zij engelen zingen', zitten indrukwekkende beelden van die voor Ajax als een feest bedoelde wedstrijd tegen FC Twente. Het zijn beelden die door merg en been gaan. Door het tribunetuig wordt trainer Jan Wouters verbaal gekielhaald. Meteen na de nederlaag wordt de dan definitief kansloze trainer gevolgd door de camera. De benen van Wouters lijken krommer dan ooit. Hij gaat niet naar de kleedkamer, maar naar zijn kantoor. Net wanneer men vermoedt dat hij op zijn bureau de tekstverwerker een ferme dropkick zal verkopen, krijgt Jan in de gaten dat hij wordt gefilmd. Als speler had hij op dat moment ongetwijfeld voor een elleboogje gekozen, maar als trainer-coach van de AFC Ajax NV, lijkt hij ineens aan de aandeelhouders en aan de Raad van Commissarissen te denken. Jan knikt beleefd en vraagt onhoorbaar of het misschien goed is dat hij de deur dichtdoet.
Na die wedstrijd van de negentiende maart ben ik niet meer in een stadion geweest. Ik kan niet zeggen dat ik die bezoekjes mis. Sinds de herfst van 1969 heb ik voor de krant welgeteld 2368 voetbalwedstrijden gezien. Hier en daar een verlenging en strafschoppen erbij en ik kom uit op ongeveer 3600 uur voetbal. Dat zijn 150 onafgebroken etmalen voetbal. Vijf maanden waarin alleen de bal heeft gerold.
Kijk ik naar 'Daar hoorden zij engelen zingen' en luister ik naar de warhoofden die thans namens het supporterdom -klemtoon op de laatste lettergreep- het woord voeren, dan weet ik waarom mijn honger naar de bal is afgenomen. ,,Soms vraag ik mij af of ik hier nog bij wil horen'', zei Leo Beenhakker vorig jaar als Feyenoord-man in de richting van zijn eigen fans. Ik vond dat toen een moedige uitspraak van Don Leo, die te Rotterdam na zijn overstap naar Ajax overigens als een onversneden NSB'er wordt beschouwd.
Als ik naar de Ajax-film kijk, wil ik zeker ook niet bij Ajax horen. Er zit een idioot in die te Afrika de talentjes geen spiegels en kralen voorhoudt, maar foto's van de Ajax-grootheden. Ach gut. Ik wacht op een komiek uit zo'n arm Afrikaans land, die zegt dat hij bij nader inzien niet voor een loopbaan in Amsterdam voelt, omdat hij thuis wél op een goed veld mag voetballen. Er zit een nog grotere idioot in de film die jochies van twee turven hoog in de kleedkamer de huid vol scheldt. Geen beleving! Hoe dachten jullie miljonair te worden?! - die houding.
Het kwam mij voor dat die brulboei, deze pedagoog van de kouwe grond, buitengewoon weinig van Johan Cruijff had opgestoken. Hij leek mij vooral op een trainer die in geval van een achterstand de kraag van zijn regenjas opzet, schielijk in het beeld van de camera gaat staan, de armen laat klapwieken en ten slotte uit volle borst zijn vaste repertoire uitbraakt. Dit repertoire: ,,Bewegen!'' en ,,Waar zijn we nu mee bezig?!''
Je zal in de buurt van Amsterdam een kind hebben van een jaar of acht met veel talent voor voetbal. En dat er dan er zo'n meneer van de NV komt vertellen dat je kind is uitverkoren. Mijn hemel.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.