Kortgeleden verscheen het verslag van de commissie-Van Kemenade, dat een samenvatting beoogde te zijn van nooit totstandgekomen herstel van nalatigheden jegens (in hoofdzaak) het Joodse bevolkingsdeel van Nederland. Het volgde op het rapport van de commissie-Scholten, over banken, verzekeringen en pensioenen, en dat van de commissie-Kordes, over de aanwijsbare tegoeden bij en claims op de overheid.
Dat nu pas het onderzoek naar allerhande tekortkomingen in de afwikkeling van oorlogsgebeurtenissen ter hand is genomen, komt allereerst doordat iedereen direct na de oorlog als het ware bezeten van een drang tot wederopbouw en herstel. Men wilde over die oorlogsjaren liefst niet meer praten. Pas nadat Lou de Jong met zijn tv-serie over de oorlogsjaren kwam, ontstond er, langs de weg van herkenning en herinnering, enige openheid.
Het feit dat de Nederlandse bevolking vooral in het laatste oorlogsjaar zelf veel te lijden had gehad, bracht met zich mee dat men voor het leed van anderen weinig belangstelling had. Voeg daarbij dat in de beginjaren na de oorlog de afschuwelijke toestanden uit de concentratie- en vernietigingskampen nog niet echt tot het besef van velen waren doorgedrongen.
Het weinig geïnteresseerde gedrag van overheidsinstanties werd door iets anders bepaald. Al bij de Londense regering in ballingschap gold dat er geen speciaal op de Joden gerichte maatregelen dienden te worden genomen. Door dat wel te doen (zo was de redenering) deed men hetzelfde als de Duitsers. Het lukte niet de overheid ervan te overtuigen, dat - nu die Duitse anti-Joodse maatregelen er waren - men deze alleen in hun effect kon tenietdoen door het vaststellen van eender gerichte regels. Pas recent is het besef doorgedrongen dat dit tot grote onrechtvaardigheden heeft geleid.
De commissie-Van Kemenade heeft een poging gedaan hiervan een overzicht samen te stellen. Ze stelt nu voor om aan de Joodse gemeenschap een eenmalige genoegdoening van 250 miljoen gulden te geven. In huiselijke taal betekent dit zo ongeveer: ,,Wij realiseren ons dat er heel veel is misgegaan. Dat is allemaal heel ingewikkeld. Hier hebben jullie een rond bedrag en laten wij er nu maar een streep onder zetten''. Zeer terecht heeft het Centraal Joods Overleg (CJO, de instantie die namens de Joodse gemeenschap met de overheid praat) dit niet aanvaard. Men wil dat het onrecht dat is geschied, recht wordt gezet. Het woord 'genoegdoening' is hier niet op zijn plaats. Men wil niet een koehandel beginnen over een miljoen meer of minder, men wenst een realistische regeling. Volgens het CJO is de grootte van het onrecht heel goed te kwantificeren. Het heeft een accountantskantoor opdracht gegeven om die berekening te maken.
Volgens het Centraal Joods Overleg dient het uitgekeerde bedrag ponds-ponds-gewijze onder de slachtoffers (en zo die reeds overleden zijn hun kinderen) te worden verdeeld. Wat er dan nog overblijft, dient aan de Joodse gemeenschap als totaliteit ten goede te komen. Het gesprek hierover moet nog plaats vinden. Het standpunt van Joodse zijde is duidelijk.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.